‘Het koffertje van Manny’ / Op zoek naar mijn biologische schoonvader

Het koffertje van Manny’ is het verslag van mijn poging om het leven te reconstrueren van Manny Klijnkramer, de vader van mijn vriendin Manuela. 

Dit verslag is eind 2014 verschenen in boekvorm.

> Klik hier om het boek te bestellen


 

 

Het koffertje van Manny

Op zoek naar mijn biologische schoonvader 

 

PETER VAN DER AA

Juni 2014

Voor Manuela

 

 

Proloog

Allemaal namen

Mijn mijsje is het meisje met de achternamen. Ze heette Klijnkramer, daarna Koelemij, opnieuw Klijnkramer, weer Koelemij, dan Teegelbeckers en ten slotte Koelemij. Allemaal voor haar 35e en met niet meer dan één huwelijk.

Geboren werd ze als Manuela Sophia Klijnkramer op 28 april 1965 in Amsterdam. Haar ouders waren Emanuel (Manny) Klijnkramer en Anuschka Gilberta Wessels. Het stel was een paar maanden daarvoor getrouwd.

Manny was een kleine, dikke, gezellige Joodse man maar volstrekt onbetrouwbaar. Het was een fantast, een leugenaar en een oplichter. Anuschka kreeg daar al gauw mee te maken. De mooie toekomst die hij haar voorspiegelde, bleek een luchtspiegeling. Eenmaal getrouwd zwierven ze, met hun dochtertje, van de ene woonplaats naar de andere, meestal op de vlucht voor huisbazen die de huurachterstand wilden innen. Manny deed inkopen die hij niet betaalde. Hij bestal Anuschka’s ouders. Werkgevers kwamen bij Anuschka klagen over zijn gedrag en de politie kwam aan de deur omdat hij werd gezocht voor diefstal. Na een paar jaar was Anuschka het beu en zette hem aan de dijk.

Nadat Manny uit hun leven was verdwenen, zette Anuschka met haar dochter dat zwervende bestaan nog even voort tot ze een nieuwe man ontmoette: Jan Koelemij. Hij ontfermde zich over moeder en kind en het gezin vestigde zich, toen Manuela 7 jaar was, in Woerden. Daar, op haar nieuwe school, werd Manuela een Koelemij, net als stiefvader en moeder. Maar niet officieel. Dat ging jarenlang goed, tot aan de middelbare school. Toen Manuela daar een uittreksel uit het bevolkingsregister moest overleggen, bleek haar naam geen Koelemij maar Klijnkramer te zijn. Op haar twaalfde was dat een pijnlijke omschakeling. Stiefvader Jan stelde pogingen in het werk om haar naam bij de burgerlijke stand te veranderen. Daarvoor moest toestemming worden gevraagd aan de biologische vader. Maar Manny bleek onvindbaar. Toen een paar jaar speurwerk niets opleverde, werd een procedure bij de overheid in gang gezet en uiteindelijk lukte het, met de handtekening van Koningin Juliana, om van Manuela een echte Koelemij te maken. Ze was toen 15 jaar.

Manuela ging al jong het huis uit want het boterde niet erg tussen moeder en dochter. Ze vluchtte in het samenwonen met haar toenmalige vriend Nico Teegelbeckers. Aan hem bleef ze hangen en jaren later, in 1991, trouwden ze. Hij vond wel dat ze zijn naam moest gaan voeren. Als Manuela Teegelbeckers werd ze moeder van twee jongens, Elmar en Ruben. En als Manuela Teegelbeckers leerde ik haar kennen. Ze werd mijn collega en al gauw meer dan dat. Ze zette een punt achter het weinig bevredigende huwelijk en wij kregen een relatie. Op een mooie dag: 1 januari 2000. Na de scheiding heette ze weer Koelemij. Koelemijsje, noem ik haar weleens.

Manuela vertelde me het verhaal over haar biologische vader. Die had haar nog een paar keer schriftelijk benaderd, halverwege de jaren tachtig en een jaar of tien later. Dat had in het eerste geval geleid tot een paar ontmoetingen maar het contact droogde meteen daarna weer op, vooral omdat Manuela er in die levensfase niet aan toe was. We maakten het plan om hem samen op te zoeken. Manuela was er nu wel klaar voor en ik was door haar verhalen nieuwsgierig geworden naar mijn zonderlinge ‘biologische schoonvader’. Maar voor we dat voornemen konden uitvoeren kwam, in het voorjaar van 2000, het bericht van zijn dood.

Een kleine tien jaar later besloot ik te proberen het leven van Emanuel Klijnkramer te reconstrueren. De nieuwsgierigheid was gebleven. Manny was een verre van voorbeeldig mens geweest maar waarschijnlijk geen slecht mens. Een beschadigd mens. Geboren in 1940; moeder in het kraambed gestorven; vader, broer en veel andere familieleden vermoord in concentratiekampen. Hijzelf als baby de dans ontsprongen doordat hij werd opgenomen in het gezin van een tante, wier man ook werd weggevoerd. Het gezin moest vrijwel meteen op de vlucht voor de bezetter. In feite begon daar al het zwervend bestaan, dat Manny zijn hele leven zou blijven leiden. Hij blééf als het ware op de vlucht, sloot twee huwelijken die tot mislukken waren gedoemd, werd ziekelijk, kwam ‘eenzaam maar niet alleen’ aan zijn eind en vond ten slotte rust, maar in het graf van een ander.

De reconstructie van zijn leven zoals ik me die voorstelde, is niet gelukt. Ik heb er oneindig veel tijd in gestoken maar het ontbrak me aan voldoende bronnen. Mensen die hem hadden gekend  waren dood, hadden een slecht geheugen, waren niet meer te vinden of keerden me de rug toe omdat ze de naam Klijnkramer niet meer wilden horen. Desondanks stel ik de informatie die ik heb kunnen vergaren op schrift, vooral omdat de zoektocht een verhaal op zich is geworden.

 

1.

Het koffertje van Manny

Het is mei 2000. We zitten op een middag in mijn flat in Alphen, als de telefoon gaat. Het is Anuschka. Ze wil Manuela spreken.

“Ja, met je moeder”, zegt ze. “Je vader is dood.”

“Jan?!”, schrikt Manuela.

“Nee”, zegt Anuschka ongeduldig. “Jan niet. Ik zeg toch: je váder.”

Uit het weinig samenhangende relaas dat volgt, valt op te maken dat ze is gebeld door een notaris in Sliedrecht die op zoek is naar de erfgenamen van Emanuel Klijnkramer. Manuela is zijn enige dochter en na wat omzwervingen is de notaris bij haar moeder terechtgekomen. Nadat ze de telefoon heeft neergelegd, condoleer ik haar maar ze heeft niet echt gevoelens bij de dood van een vader die al vroeg uit haar leven is verdwenen en die ze nauwelijks heeft gekend.

Een paar dagen later rijden we naar Sliedrecht. Op zijn kantoor worden we begroet door een vriendelijke jonge notaris, die Nederlands spreekt als de beste maar een Griekse naam heeft die je  letter voor letter moet spellen om hem heelhuids op papier te krijgen. Hij vertelt een bizar verhaal. Zijn kantoor is door de gemeente Sliedrecht benaderd met het verzoek de nalatenschap af te wikkelen van Emanuel Klijnkramer, die op 26 april aldaar is overleden. De gemeente is daarvan op de hoogte gesteld door een mevrouw bij wie hij inwoonde. Volgens de notaris had zij gereageerd op een advertentie waarin Manny als terminaal zieke een onderkomen zocht voor de laatste fase van zijn leven. Zij nam hem in huis en leverde hem na zijn dood als het ware af op het stadhuis. De gemeente liet hem begraven en zijn eigendommen werden naar het notariskantoor gebracht.

De notaris pakt een oud koffertje en klikt het een beetje plechtig open.

“Zijn persoonlijke documenten”, zegt hij. Hij pakt ze er een voor een uit. Te beginnen met een grote foto van Manuela toen ze een jaar of zeventien was. Dan een (ongedateerde) brief van haar, waarin ze hem halverwege de jaren tachtig schreef dat ze na een paar onbevredigende ontmoetingen wilde afzien van verder contact. Verder een tegeltje van aardewerk met een forse hoek eruit, zijnde het zwemdiploma A van Manuela, verkregen op 28 november 1971. Ten slotte een dikke losbladige agenda zonder calendarium maar met voornamelijk lege aantekenvelletjes. In de vakken van het omslag zitten, naast een pasfoto van Manny, wat losse papieren. Het zijn een paar ziekenfondsbriefjes en een uit een boek gescheurde pagina met foto’s uit de oorlog. Op de ene kant een straat met een bord waarop staat ‘Juden viertel Joodsche wijk’ en aan de andere kant twee foto’s van Duitse soldaten met geweren in de aanslag, die Joden oppakken en afvoeren op het Jonas Daniël Meijerplein in Amsterdam in februari 1941.

De notaris legt uit dat Manuela de erfenis, waar ze recht op heeft, kan weigeren. En dat ze dat ook moet doen omdat Emanuel alleen maar schulden achterlaat. Hij toont er een overzicht van, voor zover hij dat heeft kunnen achterhalen. Het is een lange lijst van schuldeisers met bijbehorende bedragen. Wehkamp, de Belastingdienst, het energiebedrijf, ziekenhuizen, noem maar op. Opgeteld gaat het om een bedrag (in guldens) van zes cijfers.

Manuela is niet de enige erfgenaam. Manny is een tweede keer getrouwd geweest, met Martha Korper, en ook weer van haar gescheiden. Zij en haar kinderen uit een eerder huwelijk zijn ook erfgenamen. Martha heeft de erfenis beneficiair aanvaard, wat betekent dat ze niet aansprakelijk kan worden gesteld voor eventuele schulden; haar kinderen hebben geweigerd.

Dan neemt de notaris met de Griekse naam ons mee naar de kelder onder zijn kantoor. Daar staat de rest van de bezittingen van Manny. Het zijn drie of vier vuilniszakken, slordig volgepropt met kleding, een rek met wat cd’s en nog wat onduidelijke spullen. We rommelen even door de zakken met broeken en jasjes met forse maten maar erg fris ziet het er allemaal niet uit. We kunnen en willen er niks mee en geven de notaris toestemming om alles te dumpen. Het koffertje nemen we mee.

We hebben in Sliedrecht een opzienbarend verhaal te horen gekregen maar het zakt alweer snel weg door de dagelijkse beslommeringen. Manuela zit midden in de verhuizing van de echtelijke woning naar een huurhuis, waar ze met haar zoons gaat wonen. De scheiding is vrijwel rond en verloopt zonder veel problemen maar er moet een hoop geregeld worden. Dat neemt ons voorlopig in beslag. We praten soms wel over Manny en Manuela vertelt de merkwaardige geschiedenis over haar biologische vader aan sommige vrienden. Na een paar weken krijgt ze een dreigbrief van een schuldeiser, die denkt bij haar nog even 69.012 gulden en 12 cent te kunnen ophalen, die haar vader vergeten is te voldoen. Als Manuela de notaris daarover belt, belooft die de zaak af te handelen. We horen er nooit meer iets van.

We nemen ons wel voor om Martha Korper, de tweede vrouw van Manny, die in Amersfoort woont,  een keer op te zoeken om wat meer over Klijnkramer te weten te komen. Manuela heeft haar weleens ontmoet toen ze een korte periode contact had met haar vader. Maar ook dat voornemen gaat op de lange baan en van uitstel komt afstel als we horen dat Martha begin 2009 is overleden.

 

2.

Erop of eronder

Maar… Manny laat me niet los. Wat voor man was hij en hoe zag zijn leven eruit? Manuela lijkt in vrijwel niets op haar moeder, dus heeft ze waarschijnlijk veel van haar vader. Maar dan toch zonder al die slechte eigenschappen die passen bij de informatie die ik over hem heb. Ik probeer natuurlijk allereerst schoonmoeder Anuschka uit te horen over haar ex-man maar die zegt, bijna vijftig jaar later, niet veel van hem te weten. Ze heeft een paar standaardbeelden in haar hoofd en komt niet verder dan wat gemeenplaatsen. Of ze dan nog iets van hem in haar bezit heeft, foto’s of brieven, vraag ik.

“Van zo’n man bewaar je niks”, zegt ze.

Daar word ik niet wijzer van. Om mijn speurtocht te beginnen, ga ik eerst maar eens bij Manny zelf op bezoek. Want ik weet inmiddels waar ik hem kan vinden. Ik heb de notaris in Sliedrecht een briefje gestuurd met het verzoek om na al die jaren nog eens in het dossier-Klijnkramer te duiken. Wellicht staan er  aanwijzingen in die in 2000 niet aan de orde zijn geweest maar die ik nu goed kan gebruiken. Bijvoorbeeld hoe Manny in Sliedrecht terecht is gekomen en waar hij is begraven. De notaris kan me niet veel verder helpen. Hij stuurt wel nog een lijst met adressen waar Manny heeft gewoond vanaf juni 1992. En hij weet te melden dat hij is begraven op de Algemene Begraafplaats in Sliedrecht in een algemeen graf met nummer 633, laag 1. Een algemeen graf, zo vind ik op Wikipedia, is een graf waarin meerdere mensen begraven liggen die niets met elkaar van doen hebben. Zo’n graf is bedoeld voor overledenen die geen nabestaanden hebben of zelf geen maatregelen hebben getroffen om hun uitvaart te regelen.

In de zomer van 2009 ga ik naar Sliedrecht. Op  de Algemene Begraafplaats aldaar (‘anno 1885’) is het nog niet zo eenvoudig om ‘algemeen graf 633’ te vinden. Aan de hand van de plattegrond die bij de ingang hangt, kom ik wel terecht bij de afdeling met algemene graven. En ik ben ook al gauw warm wat de jaartallen betreft. Graven uit 1999, 2000, 2001. Maar nummer 633 zie ik nergens. De graven liggen hier dicht opeen en niet, zoals bij de familiegraven, keurig gerangschikt langs paden. De stenen zijn klein en je moet eromheen zigzaggen om bij andere te komen. Op sommige stenen staan nummers aan de zijkant; bij andere weer niet.

Ik had al gekeken of ik een kantoortje kon vinden bij de ingang van de begraafplaats maar meer dan een werkplaats met stapels zand, soorten grint en een bordje ‘Verboden toegang’ zag ik niet. Dan hoor ik wat bedrijvigheid in de verte en ga een kijkje nemen. Er zijn twee mannen met planken in de weer. De een zit in een ronkende graafmachine en de andere pakt de planken aan die de machine verplaatst. Ze zijn een kuil aan het graven voor een ander. Ik blijf een beetje op afstand staan. Je weet maar niet wat er, met de planken, aan stoffelijke resten naar boven komt. Het duurt even voor de man naast de machine me opmerkt. Hij stapt uit de cirkel van lawaai en kijkt me vragend aan. Het is een wat oudere man met een bril op en een krans van grijs haar. Ik vraag hem naar graf 633 en hij probeert me het systeem uit te leggen. Dan roept hij naar zijn maat dat hij even met mij meegaat. Het zweet staat op zijn voorhoofd want het weer is wisselvallig maar als de zon tevoorschijn komt is het gauw warm, zeker als je kuilen aan het graven bent. Hij trekt al lopend zijn handschoenen uit en vraagt nogmaals wat ik zoek. Of wie.

“Misschien heb ik hem zelf wel begraven. Hoe heet-ie?” Ik noem Manny’s naam.

“Zegt me niks”, schudt de man, die vertelt dat hij hier al 25 jaar werkt.

“Dan hebt u er heel wat weggelegd”, hou ik de conversatie over de dood levend. Dat geeft hij toe.

“Dit is wel mijn laatste jaar. Dan ga ik in de vut. Maar ik heb het altijd leuk werk gevonden.”

“Nee”, haast hij zich te corrigeren, “ik heb hier altijd met plezier gewerkt.”

Bij de algemene graven moet ook hij een poosje zoeken. Hij kijkt naar jaartallen en naar de nummers die op de zijkant van de stenen zijn aangebracht. Dat is niet overal het geval. Dat ligt aan de natuursteenbedrijven, moppert de man. Soms zijn de cijfers er wel maar bijna niet te lezen. Na wat speuren vinden we 633. Het staat op een platte steen met de naam van Klaas Bot, overleden op 24 april 2000. Dat is twee dagen vóór Manny. De man legt me uit dat in elk graf twee mensen liggen. Manny ligt op laag 1. Maar ook dat is even piekeren. Vroeger telden ze van onder af en later van boven af, begrijp ik, of andersom.

“Je moet dus altijd nagaan”, zegt de doodgraver, “of het van vóór of na de wijziging is.” Hoe dan ook, Manny ligt op Klaas. Of onder hem. Wat doet het er ook toe. Naamloos begraven maar toch weer niet; onder een andere naam. Ik bedank mijn kerkhofgids en geef hem een hand. Die is groot en vochtig. Als hij weg is, neem ik een paar foto’s van het graf van Klaas Bot. Later zie ik op de computer thuis dat ze niet goed zijn. Er is op de camera een wieltje verdraaid.

 

3.

Een speeltuin voor Joden

In Sliedrecht strandt op zijn zestigste jaar Manny’s zwerftocht door het leven en door Nederland. Een tocht, die begon in Amsterdam aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog. Emanuel Klijnkramer werd daar geboren op 6 januari 1940 als zoon van Simon Klijnkramer (Amsterdam, 28 mei 1904) en Elisabeth Hagenaar (Amsterdam, 15 september 1905). Elisabeth stierf bij de bevalling van wat haar tweede kind was. Ze had zeventien jaar eerder ook al een zoon gebaard, Manny’s oudere broer Gerrit (Amsterdam, 14 december 1923).

Simon zat na de plotselinge dood van zijn vrouw niet lang bij de pakken neer en hertrouwde al snel met Marianne Isaac (Amsterdam, 21 januari 1907). Het laatste adres van het echtpaar, voor het in (vermoedelijk) 1941 door de Duitsers werd weggevoerd, was 1e Jan Steenstraat 109 III in de Amsterdamse Pijp. Manny woonde daar niet. Hij werd na zijn geboorte en het overlijden van zijn moeder in huis genomen door een oudere zus van haar, zijn tante Sophie.

Sophia of Fie Hagenaar (Amsterdam, 1903) was getrouwd met Louis Engelander (Amsterdam, 12 oktober 1899). Het echtpaar woonde met dochter Elisabeth (Amsterdam, 1922) in de Transvaalstraat op nummer 102. In januari 1940 werd het gezinnetje onverwacht uitgebreid met neefje Manny.

Louis had een koffiehuis in de Albert Cuypstraat, ‘Marktzicht’ geheten. Daar werkte hij tot de Duitse bezetter in 1941 verordonneerde dat de Joden de Albert Cuypmarkt moesten verlaten. Er werden, speciaal voor Joden, enkele tijdelijke hulpmarkten gecreëerd, onder meer op het terrein van de speeltuin aan de Gaaspstraat in Amsterdam-Zuid. De speeltoestellen werden weggehaald en er kwamen kramen voor in de plaats. In het clubgebouw werd een koffiehuis ingericht, waar Louis aan het werk kon. Het woord koffiehuis is wat bescheiden want hij verkocht ook gebak, rookwaren, vleeswaren en vis. Lang werkte hij daar niet want de Duitsers hadden nog een appeltje met hem te schillen. In zijn voormalige koffiehuis aan de Albert Cuyp waren valse bonnen verhandeld. Veel goederen waren in de oorlogsjaren schaars en konden alleen worden gekocht op de bon. Er was dus een levendige handel ontstaan in echte en valse bonnen. Louis had daar, zo verklaarde zijn dochter Elisabeth (Lies) na de oorlog, part noch deel aan maar de Duitsers verdachten hem wel. Dat kwam hem om te beginnen te staan op drie weken voorarrest in het Oranjehotel, de strafgevangenis in Scheveningen. Daar kwam hij ziek van thuis. Toen hij daardoor zijn werk in het koffiehuis op het speeltuinterrein niet meer kon oppakken, nam Lies zijn taken daar over. Later werd Louis voor de bonnenaffaire veroordeeld tot twee jaar gevangenisstraf, die hij moest uitzitten in Duitsland. Daarna werd hij doorgestuurd naar een concentratiekamp in Wolfenbüttel, waar hij in 1944 op 44-jarige leeftijd overleed aan longontsteking.

Sophie werkte thuis als fijnborduurster in opdracht van de firma’s Gerzon en Hirsch. Ze was een vakvrouw en deed zelfs werk dat bestemd was voor het koninklijk huis en voor de Sjah van Perzië. Doordat Sophie en Louis allebei werkten, hadden ze het voor de oorlog, zelfs in de crisisjaren, goed. Ze hadden een keurige woning, hielden er een dienstmeisje op na en huurden elk jaar in de zomervakantie een huis in Zandvoort. Dat was een luxe in die tijd. Hun enige dochter Lies werd verwend.

Dat ik ongeveer weet hoe Manny en zijn familie de oorlogsjaren zijn doorgekomen, is voornamelijk te danken aan Lies. Zij heeft haar verhaal gelukkig uitvoerig kunnen vertellen. In het Parool van 4 april 1986 stond een paginagroot artikel over de Joodse markten in de oorlog en Lies Kuyt-Engelander was één van de mensen die daarvoor werden geïnterviewd. Ze vertelt daarin ook haar persoonlijke geschiedenis. En dan is er ook nog uit datzelfde jaar het gedenkboek ‘Amsterdam-Zuid in oorlogstijd’ van Dick Walda. Amsterdam-Zuid was de naam van de speeltuinvereniging, die in 1921 de speelplaats in de Gaaspstraat had geopend. De plek dus die in de oorlog door de Duitsers werd gevorderd om er een Joodse markt te vestigen. Een markt ja, “maar ook”, zo schrijft Dick Walda, “een fuik: het was een concentratieplaats voor Joodse Amsterdammers. Men zette vier overvalwagens op de hoeken van de speeltuin en de Joden zaten als ratten in de val. Zo is dat diverse keren gebeurd (…)”.  Walda sprak voor zijn boek met een tiental ooggetuigen, onder wie Lies. Ook daar kreeg zij uitvoerig de gelegenheid te vertellen wat er met haar familie in de oorlog was gebeurd.

“Ik wist dat ik van Joodse afkomst was maar mijn ouders waren niet vroom, ook al kwam mijn moeder uit een rabbijnenfamilie”, vertelt Lies in het gedenkboek. “Eigenlijk hebben de Duitsers ons pas goed bijgebracht wat het betekende om Jood te zijn.”

Op 14 juli 1942 vond een inval plaats door de Grüne Polizei op de Jodenmarkt, toen Lies daar aan het werk was. Er werd bij die gelegenheid niemand meegenomen maar wel ging het gerucht dat de Duitsers een groot deel van Amsterdam-Oost hadden afgezet en dat de Joodse mensen die daar werden aangetroffen met overvalwagens werden afgevoerd. In dat stadsdeel, waar veel Joden woonden, was ook de Transvaalstraat, waar Lies, sinds haar vader naar Duitsland was weggevoerd, alleen nog woonde met haar moeder en Manny.

“Ik telefoneerde naar huis omdat ik bang was dat mijn moeder en het pleegkind waren weggehaald”, vertelt Lies. “Ik kreeg gelukkig mijn moeder aan de telefoon, er was niets gebeurd.”

Maar de angst zat er diep in. Toen Lies belde, had moeder Sophie juist kennissen op bezoek, de Zaanse familie Kuyt. Die bood haar en haar gezin een veilig heenkomen aan in hun huis in Wormerveer. Sophie aarzelde niet, nam Manny en een tas met wat spullen en vertrok halsoverkop uit Amsterdam. Ze zou nooit meer terugkeren in haar huis. Ook Lies vluchtte vanuit de Gaaspstraat rechtstreeks naar Wormerveer.

Ze zegt in het gedenkboek: “De familie Kuyt nam – door ons op te nemen in het gezin – een enorm risico. Ze hadden negen kinderen thuis. Alles gebeurde op één kamer. We zaten op elkaars lip, je kunt je niet voorstellen hoe moeilijk dat is om zo te leven. Het was bovendien een grote overgang voor ons: van zo’n druk leven, altijd bezig, plotseling gedwongen tot niets doen. Het is vrijwillig gevangen zijn.”

Sophie was het al heel snel beu, die wilde na acht dagen alweer naar huis. Ze kon met moeite worden tegengehouden. Lies en een paar leden van het gastvrije gezin gingen nog wel een keer naar het huis aan de Transvaalstraat om wat persoonlijke spullen op te halen als brieven en foto’s en de borduurmachine van Sophie. 

 

4.

Een lief jongetje met donkere ogen

Een nog levende ooggetuige uit die tijd is Coby Kuyper-Van Kuilenburg (87), die nog altijd in Wormerveer woont. Zij was in haar jeugd bevriend met een van de dochters van het gezin van Gerrit en Mien Kuyt. Ik kom haar op het spoor door de internetsite Joods Monument Zaanstreek van onder anderen de journalist Erik Schaap. Op die site staat informatie over Joden en onderduikers in de regio. Ook de familie Kuyt en hun oorlogsgasten zijn er te vinden en daar is sprake van ‘het pleegkind Emanuel Klinkhamer’. Via de mogelijkheid om online opmerkingen te maken, geef ik de correctie in de naam door. Dat levert me per omgaande een bedankmailtje op van Erik Schaap. Hij wijzigt de naam ook meteen en noemt mij daarbij als bron. Ik zie dat een paar dagen later. Dan valt me op dat bij de informatie over de familie Kuyt nóg een bron wordt genoemd: J. Kuyper uit Wormerveer. Ik vraag Schaap of hij me de contactgegevens van deze persoon kan geven en zo kom ik aan het telefoonnummer van Coby. Een afspraak is snel gemaakt en ik reis naar Wormerveer.

De vriendelijke bejaarde mevrouw Kuyper woont in een aanleunwoning bij een verzorgingshuis met haar nog oudere vriend, de heer Koeman (95). Eigenlijk wonen ze niet echt samen. Hij is haar buurman maar ze zitten de hele dag bij elkaar. Het stel is goed bij de tijd, intelligent en gezegend met een ijzersterk geheugen. Ze hebben het duidelijk erg gezellig samen. Misschien zijn ze wel verliefd, denk ik. Hij geeft haar voortdurend complimentjes, die zij met een gebaar van ‘ach, malle vent’ een tikje verlegen wegwuift. Zij vertelt haar verhaal over de oorlog en hij luistert met zichtbaar genoegen.

Gerrit en Mien Kuyt, zo verneem ik, hadden tien kinderen, van wie de oudste dochter al voor de oorlog was getrouwd. De andere negen woonden nog thuis. Het was een lief gezin maar het stond in de buurt bekend als asociaal. Gerrit was kermisfotograaf. Hij had een camera die de foto’s meteen produceerde en verleidde daar moeders met kleine kinderen mee. Zo scharrelde hij een redelijk inkomen bij elkaar. Toen het huis waarin ze woonden moest worden afgebroken om plaats te maken voor een nieuwe weg, konden ze niet gemakkelijk vervangende woonruimte vinden. De mensen in Wormerveer hadden het niet zo op het grote gezin en wilden het liever niet als huurder of buur. Daarom trok het elftal uiteindelijk in een wat afgelegen en leegstaand arbeiderswoninkje. In die tijd was het nog de gewoonte van buurtbewoners om bij elkaar in en uit te lopen maar omdat het gezin niet erg in trek was, hielden de buren zich wat op afstand. In de oorlog kwam dat heel goed uit, vooral als je onderduikers had.

Coby van Kuilenburg kwam er over de vloer. Ze was bevriend met Mady Kuyt.

“We zwommen elke dag samen”, vertelt ze. “Maar op een dag kwam ze niet opdagen en de twee weken daarna ook niet. Mijn moeder schaamde zich een beetje dat ik met iemand van het gezin Kuyt omging maar moedigde me toch aan om maar eens poolshoogte te gaan nemen. Toen ik aanbelde, kwam moeder Kuyt aan de deur. Ze vertelde dat Mady ziek was geweest. Ik kon maar beter niet binnen komen want het was nogal een rommel maar ik mocht wel met Mady gaan wandelen. Inmiddels was ook pa Kuyt verschenen. Hij zag meteen wie ik was en zei dat hij mijn moeder wel kende. Van hem mocht ik binnenkomen. Zo kwam ik daar voor het eerst en vanaf dat moment veel vaker. En rommelig was het niet. Dat had mevrouw Kuyt maar gezegd in een poging om me buiten te houden.”
Coby maakte tijdens dat eerste bezoek kennis met Sophie en Lies Engelander en Manny. Sophie werd aan haar voorgesteld als ‘de schoonmoeder van zoon Jan’. En Manny werd Gerrie genoemd omdat dat minder Joods klonk.

“Maar dat werkte niet echt want iedereen vergat dat meteen weer”, zegt Coby. Wanneer dat eerste bezoek aan de familie Kuyt plaatsvond, is onduidelijk. Zo precies weet Coby het zeventig jaar later ook niet meer. Uit het vervolg van het verhaal zal blijken dat het gezin Engelander tijdens de bezetting twee keer een periode bij de familie Kuyt verbleef. Waarschijnlijk speelt het verhaal van Coby tijdens het tweede verblijf want Lies kreeg na verloop van tijd verkering met Jan, één van de zoons van Kuyt, met wie ze later zou trouwen. Die relatie moet al redelijk gevorderd zijn als Sophie als schoonmoeder wordt opgevoerd.

Dat het om Joden ging, daarvan had Coby aanvankelijk nog geen idee. Ze beschrijft de situatie in huis. De huiskamer had twee bedsteden. In de ene sliepen de drie onderduikers; de andere had Gerrit in gebruik als donkere kamer. Gerrit en Mien sliepen op een opklapbed in de kamer en de negen kinderen sliepen boven. Coby herinnert zich Sophie maar ook Lies als ‘forse’ vrouwen. En Manny was “een lief jongetje met blond haar en hele donkere ogen.”

“Fie was als een moeder voor hem. ’s Avonds voor het slapen gaan nam ze hem op schoot en zong ze liedjes.”

De sfeer in huis, zegt Coby, was goed, niet angstig.

“Het was er doorgaans gezellig. Men voelde zich, voor zover ik dat kan beoordelen, niet bedreigd. In het dorp waren wel wat politiemensen die op Joden loerden maar ze waren te dom om succes te hebben. Ooit kwamen ze aan de deur toen Sophie alleen thuis was met de kinderen. Toen ze vertelde dat ze een zus van Mien was, slikten ze dat voor zoete koek en dropen af. 

 

5.

Bivakkeren op het kerkhof

In het huisje van de familie Kuyt vonden Sophie, Lies en Manny anderhalf jaar lang een betrekkelijk veilig onderkomen. Op een dag werden ze getipt door een ‘goede’ politieman dat er een huiszoeking op komst was. De drie onderduikers sloegen daarop op de vlucht. Omdat ze niet met de trein durfden, gingen ze volgens Lies “zomaar lopen”. Onderweg stuitten ze nog op een controlepost. Er stond een overvalwagen dwars over de weg. Door haastig een zijstraatje in te duiken, wisten ze te ontkomen. Er volgde een periode van vertwijfeld rondzwerven. Ze kwamen bij een familielid van Kuyt terecht waar ze even konden blijven. Toen ook daar huiszoeking dreigde, ging de tocht verder. Bij een zus van Sophie kregen ze veertien dagen onderdak. Per roeiboot kwamen ze weer terug op het oude onderduikadres, waar ze een nacht mochten blijven. De volgende nacht gingen ze, opnieuw per roeiboot, naar een kerkhof, waar Sophie, Lies en Manny in een houten huisje bivakkeerden. Vol wanhoop klopten ze aan bij een nicht maar die lag in scheiding dus daar moesten ze ook weer gauw weg.

“We voelden ons opgejaagd, wisten niet hoe lang we ergens konden blijven”, vertelt Lies. In oktober 1944 wilde Sophie er de brui aan geven. Lies: “Toen zei moeder: laten we ons maar aangeven. Dan zijn we overal vanaf. We gaan naar de Joodse Schouwburg en melden ons daar. Ik zei: dat doen we niet. Nooit. Als ik dood moet, dan knok ik me dood.”

Niet lang daarna kwam het drietal terug op het oorspronkelijke onderduikadres in Wormerveer. Daar kreeg Manny mazelen, waarop de andere kinderen in huis prompt allemaal ziek werden. Er moest een betrouwbare dokter aan te pas komen. En Lies, die inmiddels verkering had gekregen met Jan Kuyt en in verwachting was geraakt, moest bevallen. Volgens Coby gebeurde dat misschien wel in een tweede arbeidershuisje dat vlakbij dat van de familie Kuyt stond.

“Daar woonde een stel, waarvan de vrouw ziekelijk was. Daar ging Sophie vaak in de huishouding helpen. Ik vermoed dat Lies daar in 1944 is bevallen van haar dochter Louise want naar een ziekenhuis gaan was te gevaarlijk.”

Coby weet nog te vertellen dat Sophie niet erg blij was met Jan Kuyt als schoonzoon.

“Hij was knecht bij een fietsenmaker. De kinderen van Kuyt waren zeker niet dom maar er werd niks gedaan om ze te ontwikkelen.” Na de oorlog, toen Sophie met dochter en pleegzoon naar Amsterdam terugging, bleef Jan achter in Wormerveer. Het stel leefde een poos gescheiden maar vooral Jan had het daar moeilijk mee.

“Moeder Kuyt heeft de zaak toen in orde gemaakt”, zegt Coby. “Ze trouwden. Ik denk wel dat ze een goed huwelijk hadden. Later kreeg Jan een ongeluk in de fabriek. Daarbij raakte hij zijn arm kwijt. Hij overleefde Lies en is nog niet zo lang geleden overleden als laatste van de kinderen Kuyt.”

Bijna drie jaar hadden Manny, zijn tante en zijn nicht zich schuil moeten houden om de oorlog te overleven. Maar met de bevrijding brak voorlopig allesbehalve een vreugdevolle periode aan.

“De eerste tijd deed ik niets dan huilen”, vertelt Lies. “Ik had teveel meegemaakt. Pas toen alle ellende voorbij was, realiseerde ik me dat. Veel familieleden van moeders- en vaderskant zijn weggevoerd en nooit meer teruggekomen. Wij bezaten niks meer, we moesten helemaal opnieuw beginnen. We kregen een benedenwoning toegewezen, weer in de Transvaalstraat maar die was helemaal leeg. Van het maatschappelijk werk kregen we slopen met hakenkruizen. Daarvan heeft moeder een jurk voor me gemaakt. We hadden niks om aan te trekken. Ze heeft uiteraard de hakenkruizen eraf gehaald.”

Het relaas van Lies en Coby geeft een goede indruk van de eerste levensjaren van Manny. Bij zijn geboorte was hij meteen al zijn moeder kwijt. Zijn vader en broer heeft hij nooit gekend. Hij werd dan wel liefdevol opgenomen door zijn tante maar al op zijn tweede jaar begon een lange periode van onderduiken, vluchten, meegesleurd worden van het ene adres naar het andere. Intussen werden zijn vader, diens nieuwe vrouw en zijn broer door de bezetter weggevoerd. Broer Gerrit en vader Simon overleden op respectievelijk 30 september 1942 en 10 maart 1943 in Auschwitz, Marianne Isaac op 9 juli 1943 in Sobibor. Ook van zijn ooms en tantes, neven en nichten overleefden de meesten de oorlog niet.

 

6.

Het veilige anker gelicht

Mijn kennis van het leven van Manny stokt na de oorlogsjaren en ik kan het pas weer met horten en stoten oppakken als hij een relatie met Anuschka krijgt. Wat er in de tussenliggende jaren is gebeurd, ik heb er geen idee van. Welke scholen heeft hij bezocht, welke opleiding heeft hij gedaan? Wat voor jongen was hij? Met wie ging hij om en hoe verwerkte hij het feit dat, al heeft hij ze niet gekend, het grootste deel van zijn verwanten niet uit de concentratiekampen was teruggekeerd? Ik kan het allemaal niet meer achterhalen. Hij was wees maar groeide op in een liefdevol nest van tante Sophie en Lies. Lies was weliswaar getrouwd met Jan Kuyt maar ze trokken in bij Sophie in de woning aan de Transvaalstraat 90, die ze na de oorlog kregen toegewezen. Het ligt voor de hand dat Manny de Joodse school bezocht, ook al was de familie volgens Lies niet zo vroom. Later in zijn leven blijkt Manny behoorlijk orthodox. Misschien heeft de school hem dat wel bijgebracht. De kans is groot dat hij op de voormalige Talmoedschool aan de Kraaipanstraat zat, vlakbij de Transvaalstraat. Hij wordt kok dus het ligt al evenzeer voor de hand dat hij daarna een beroepsopleiding in die richting heeft gedaan. Maar het blijft gissen. Ik heb niemand gevonden die Manny in zijn tienerjaren heeft gekend.

Hij woont in elk geval nog in de Transvaalstraat als hij Anuschka leert kennen. Het is dan 1963/1964.  Anuschka is helaas, zoals gezegd, een zwakke en onbetrouwbare bron. Ze zegt niet meer te weten wanneer en waar ze Manny ontmoette. Nu is het geheugen een wispelturig fenomeen maar ik moet de tweede persoon nog tegenkomen die zich de allereerste ontmoeting met zijn of haar eerste liefde niet meer herinnert. Anuschka weet wel meer niet. Ze heeft bijvoorbeeld ook geen idee rond welk tijdstip op 28 april 1965 Manuela geboren is.

Háár moeder, de moeder van Anuschka dus, is oma Jenny of ‘oma Haarlem’, zoals de achterkleinkinderen haar kennen. Zij is een mager besje van dik in de negentig, slechthorend en slechtziend maar goed bij de pinken en met een ijzersterk geheugen. Zij kan nog wat details invullen die haar dochter kwijt is. Als ik haar ernaar vraag is ze trouwens, strikt genomen, ‘oma Haarlem’ niet meer. Ze zit sinds kort in een verpleeghuis in Maarssen omdat ze niet meer goed voor zichzelf kan zorgen.

“Hoe heeft Anuschka Manny ontmoet, weet jij dat nog?”, schreeuw ik in haar oor. Ze wil niet oud zijn en daarom staat ze erop dat ik haar tutoyeer. Dat heeft ze me meteen aangeleerd toen ik veertien jaar geleden kennis met haar maakte.

“We gingen vaak kaarten, opa en ik, bij mensen in de Transvaalstraat”, zegt ze. “Die woonden boven de familie Engelander.” De exacte gang van zaken is daarmee niet duidelijk maar hier ligt de sleutel. Mogelijk kwamen de beneden- en bovenburen bij elkaar over de vloer, misschien ging Anuschka een keer mee kaarten en liep ze de buurjongen tegen het lijf of wellicht werd er gekoppeld. Overigens geeft oma Jenny ongevraagd ook meteen maar het zoveelste vernietigend oordeel over Manny.

“Hij heeft ooit, toen we een dag weg waren, alles bij ons thuis gestolen. Opa had geld in huis. Ook dat was weg. Ik weet dat Manny het heeft gedaan”, zegt ze. Wat er met die wetenschap is gebeurd en hoe het verder is afgelopen, weet ze niet meer. “Het is te lang geleden”, zegt ze. “Anuschka is nu alweer meer dan veertig jaar met Jan getrouwd.”

Hoe dan ook, de ontmoeting tussen Anuschka en Manny vond plaats en er was een klik. Anuschka was een jonge vrouw van rond de twintig. Ze woonde al lang niet meer bij haar ouders.

“Op mijn vijftiende moest ik het huis uit”, vertelt ze op een zonnige middag in de tuin van haar huis in Woerden als ik toch nog maar eens een poging waag haar geheugen wakker te schudden. “Ik werd  bij mensen ‘meisje voor dag en nacht’. Mijn laatste werkgever was de bekende acteur Jan Teulings. Die woonde in Amstelveen en daar ben ik negen maanden in huis geweest. In die tijd leerde ik Manny kennen. Ik weet niet meer hoe maar wel dat het meteen raak was. Ik was gek op hem en hij op mij. Hij was kok en werkte bij een bakker, ergens in Amsterdam.”

Het was ook letterlijk snel raak want Anuschka werd zwanger. Ze ging weg bij Teulings en trok in bij haar geliefde in het huis van zijn tante Sophie in de Transvaalstraat. Daar woonden, zoals gezegd, ook Lies en Jan met hun dochter. Het was een klein huis. Ieder stel had een kamer.

“Met die tante Sophie had ik altijd wel een goede band”, zegt Anuschka. ”Ze was erg dik en kwam uit een gezin van dertien broers en zussen. Ze vertelde me details over Manny. Dat hij bij zijn geboorte één kilo woog en in een sigarenkistje paste. Nou, toen ik hem leerde kennen was hij wel 100 kilo. Maar het was een gezellige man met een leuk smoeltje. Hij had geen gezonde jeugd gehad. Hij had tbc en pleuritis gehad en had in een sanatorium gekuurd. Hij kookte graag en zijn hobby was fotograferen. Hij had allerlei lenzen.”

Anuschka en Manny trouwden op 21 januari 1965, Anuschka’s 21e verjaardag, in de synagoge in Amsterdam. Daar moest Anuschka zich wel uitvoerig op voorbereiden.

“Ik werd eerst een soort van gedoopt want ik was wel Joods maar niet orthodox dus ik moest nog door bepaalde rituelen heen”. Na de bruiloft was er een bescheiden feestje voor de familie maar ook daar weet de bruid van toen de details niet meer van.

Toen Anuschka eind april 1965 moest bevallen, ging ze naar het Wilhelminagasthuis want ‘thuis’ bij tante Sophie was het te klein. Daar werd Manuela, op een dus niet meer te achterhalen tijdstip, geboren.

“Manny was gek met zijn dochter en erg trots”, vertelt Anuschka. “Kort na haar geboorte zei hij dat hij een huis voor zijn nieuwe gezinnetje had gevonden in Amstelveen. Met mijn ouders reden we door de stad, maar hij kon het niet meer vinden. Hij had het waarschijnlijk verzonnen. Later had hij opnieuw een huis. Mijn ouders en ik mochten luxaflex uitzoeken bij een winkel. Dat is ook geleverd maar nooit betaald want hij schreef een ongedekte cheque uit.”

Na lange tijd een comfortabel thuis te hebben gehad bij zijn tante en nicht, lichtte Manny, zodra hij een gezin had, zijn veilige anker. Hij vond werk in Gouda, ook weer bij een bakker, en daar verhuisde hij met vrouw en kind naar toe. Voor zo lang als het duurde.

“Daar hebben we negen maanden gewoond in een flat in de binnenstad, het adres weet ik niet meer”, vertelt Anuschka. “Tante Sophie kwam daar weleens aan met een tas vol boodschappen want ze wist hoe hij was. Daarna verhuisden we naar Arnhem Presikhaaf, naar een flat boven het winkelcentrum. Ook daar hebben we maar kort gewoond. Zijn werkgever kwam me een keer vertellen dat hij ‘s avonds vast altijd ergens uithing maar niet op zijn werk. Hij veronderstelde dat ik wel veel alleen zou zitten. De huur heeft Manny daar volgens mij nooit betaald maar dat wist ik toen allemaal niet. Op een dag moesten we ineens weg, naar familie toe. Ik geloof dat die in Eindhoven woonde. In die tijd kreeg ik bezoek van de politie die vertelde dat Manny een tv had gestolen. Hij zat toen ook even vast. Een andere keer kwam de politie mijn portemonnee terugbrengen. Die was langs de spoorlijn gevonden. Het geld was eruit, de rest zat er nog in. Ik heb ze maar niet verteld dat mijn eigen man die had gepikt. Daarna kwamen we terecht in een noodopvang in Amsterdam maar toen was de maat voor mij vol. ‘Rot maar op’, zei ik tegen hem. ‘Ik wil je nooit meer zien.’ Hij verdween en liet niets meer van zich horen.”

Anuschka weet nog dat hij later, “zogenaamd overspannen”, zegt ze, in de Sinaïkliniek terecht is gekomen en in Amersfoort is gaan wonen. De Sinaïkliniek heeft vestigingen in Amstelveen en Amersfoort en biedt – aldus de website – langdurige opvang of poliklinische hulp aan patiënten met psychische storingen. De meeste cliënten die er voor traumabehandeling komen, zijn veteranen en vluchtelingen uit de Tweede Wereldoorlog. Het is niet meer te achterhalen waarvoor Manny precies werd behandeld maar het ligt voor de hand dat ook hij de gevolgen van de oorlog niet goed heeft kunnen verwerk

 

7.

Ontmoeting in de wasserette

In vogelvlucht vertelt Anuschka hoe het haar en Manuela verging na het plotselinge vertrek van Manny. Zij kreeg werk in een ziekenhuis en Manuela ging naar de crèche. Ze vonden woonruimte bij een vrouw met een dochter. Maar daar werden ze bestolen.

“Op een dag was mijn geld weg. De vrouw bij wie we woonden, zei dat er een inbreker was geweest maar dat het zinloos was om naar de politie te gaan omdat er toch geen vingerafdrukken waren. Ze kocht wel een stereotoren.” Vervolgens zaten Anuschka en Manuela nog even in de noodopvang op het Waterlooplein. Toen kon Anuschka gaan werken bij een alleenwonende man in de Jan Pieter Heijestraat in de Kinkerbuurt. Hij kwam uit Israël en had zich korte tijd daarvoor met zijn gezin in Nederland gevestigd maar zijn vrouw kon hier niet wennen en wilde terug. Vrouw en kinderen waren al vooruitgegaan; hij zou volgen. Anuschka trok met Manuela bij hem in. Ik heb de indruk, zonder dat ze het met zoveel woorden zegt, dat ze een kortstondige relatie met elkaar hadden.

Anuschka: “Ik was dol op hem en hij op mij. Maar hij is toch naar zijn gezin gegaan. Toen hij zei dat hij echt naar Israël moest, zei ik: Je hebt gelijk, rot maar op.” Zijn vertrek pakte wel goed uit voor Anuschka, want ze mocht in het huis blijven wonen. Eindelijk had ze met haar dochter een fatsoenlijk onderkomen.

Intussen was de echtscheiding van Anuschka en Manny op 16 april 1968 bij de burgerlijke stand ingeschreven. Hij werd verplicht 65 gulden per week alimentatie te betalen maar heeft dat nooit gedaan. Ik geloof trouwens niet dat Anuschka daar echt achteraan is gegaan. Ze kreeg al gauw een nieuwe relatie en bovendien was Manny meestal spoorloos.

Die nieuwe relatie was Jan Koelemij. Anuschka en Jan werden gekoppeld door de moeder van Jan.

“Ik zag haar weleens bij de wasserette met haar dochtertje”, vertelde die meer dan eens. “Het leek me een leuk vrouwtje. We raakten aan de praat en ze vertelde dat ze was gescheiden. Ik zei op mijn beurt dat ik een zoon had die nog vrijgezel was.” Een afspraak was gauw geregeld en het stel kreeg verkering. Op 23 december 1970 trouwden ze in Amsterdam en Jan trok in bij Anuschka en Manuela in de J.P. Heijestraat.

“Jan is in zekere zin mijn redding geweest”, zegt Manuela. “Hij heeft gezorgd voor stabiliteit in ons bestaan. Anders waren we waarschijnlijk aan het zwerven gebleven en wie weet wat er van mijn moeder en mij terecht was gekomen.” Ze beschouwde Jan als haar vader en nam zijn naam aan, wat achteraf nog niet zo eenvoudig bleek. Het gezin verhuisde in 1972 naar Woerden omdat de werkgever van Jan, de FNV-bouwbond, daar een nieuw kantoor betrok. Een paar jaar later kregen Anuschka en Jan nog een zoon: Mario.

De moeder van Jan kreeg al gauw spijt van haar rol als koppelaar want Anuschka bleek allesbehalve de ideale schoondochter. Voor zij op hoge leeftijd ging dementeren en in een verpleeghuis werd opgenomen, sprak ik oma regelmatig en altijd klaagde ze haar nood over de vrouw met wie haar geliefde zoon het zo slecht had getroffen. Maar het huwelijk hield stand en Manuela had naast een stiefvader, die het gezin op de been hield, aan haar een leuke stiefoma. In die beginjaren zeventig had ze zelfs nog een tweede stiefoma want Anuschka en Manuela hielden na het vertrek van Manny, tot aan haar overlijden in 1974, contact met tante Sophie. Manuela herinnert zich haar als een warme en hartelijke vrouw. Ze draagt nog altijd haar Jodensterretje aan een kettinkje dat ze ooit van tante Sophie kreeg. 

 

8.

Jan van Deventer en Haagse Jeanette

Waar Manny na de scheiding van Anuschka en Manuela terecht is gekomen, weet ik niet. Volgens Anuschka vertrok hij naar Amersfoort, waar hij dus zou zijn behandeld in de Sinaï-kliniek. Daarna was hij jarenlang ‘overal en nergens’ want toen Manuela en haar ouders hem zochten in verband met haar naamswijziging was hij onvindbaar.

Hoe dan ook, op enig moment kwam hij wel weer in Amersfoort terecht want hij vond er een kleine vijftien jaar later een nieuwe echtgenote: Martha (Matje) Korper (Amsterdam, 24 juni 1939). Ze trouwden op 6 april 1982. Matje was een gescheiden vrouw, eveneens met een oorlogsverleden. Ze had uit haar vorige huwelijk met ene Van den Berg een dochter, Margje, en twee zoons, Matthijs en David. Een paar jaar nadat hij met Matje is getrouwd, neemt Manny voor het eerst weer contact op met Manuela. Hij schrijft haar dat hij ernstig ziek is en haar graag wil ontmoeten en zij gaat daarop in. Samen met Nico bezoekt ze hem in het ziekenhuis in Utrecht, waar hij herstelt van een ingrijpende operatie. Manuela herkent in de dikke man die haar tegemoetkomt haar vader eerst helemaal niet. Ze ontmoet bij die gelegenheid ook Matje. In de periode daarna bezoekt zij het tweetal nog twee keer in hun flat in Amersfoort en een keer in hun stacaravan. Manuela herinnert zich na al die jaren niet meer waar de caravan stond en ook niet meer hoe de flat was ingericht. Ze omschrijft Matje als een lieve vrouw.

“Maar ook een zielige vrouw. Ze had erg geleden in de oorlog. Ze vertelde afschuwelijke verhalen over haar kampverleden.” Na die bezoeken houdt Manuela het voor gezien. Ze is vooral boos omdat Manny weigert in te gaan op haar vraag waarom hij vijftien jaar lang niets van zich heeft laten horen. Ze dicteert Nico een briefje waarin ze hem meedeelt dat ze afziet van verder contact. Dat is de brief die de notaris in Sliedrecht uit het koffertje met persoonlijke bezittingen van Manny haalde. De foto van haar, die er ook in zat, heeft hij waarschijnlijk in die periode van Manuela gekregen.

Het blijft tien jaar stil. In maart 1996 meldt Manny zich opnieuw per brief. Hij wil toch nog graag een keer een ontmoeting met zijn dochter. Hij stelt voor op neutraal terrein af te spreken “en dan over vroeger praten waarom het zo lang heeft geduurd voor dat ik toen, die tijd contact heb gezocht”. Hij schrijft dat hij sinds vorig jaar weg is bij Matje en nu in Emmen woont en dat het goed met hem gaat. “Nu, ik wou ook graag weten, of je al getrouwd bent, en of je ook kinderen hebt, en of alles goed met je gaat (..). Ik hoop spoedig wat van je te horen.”

Manuela antwoordt niet. Ze zegt: “Hij benaderde me precies op het verkeerde moment. Ik had hele andere dingen aan mijn hoofd. Ik woonde in die maanden tijdelijk met Nico en Elmar in bij mijn schoonmoeder in afwachting van de oplevering van ons nieuwe huis aan de Elbakade.”

Manuela was er dus ook bij deze tweede toenaderingspoging van Manny niet aan toe om haar vader wat beter te leren kennen. Ze had ook geen gevoel bij deze corpulente, onbekende man met zijn foute reputatie die bovendien een verkeerde timing had. Vele jaren later probeer ik alsnog om die biologische schoonvader van mij wat scherper in beeld te krijgen. Ik concentreer me daartoe maar eens op de agenda die ook in het koffertje zat. Het is een losbladig, portefeuilleachtig model met, zoals eerder gezegd, een pasfoto, een uitgescheurde pagina met foto’s over de Jodenvervolging in Amsterdam in de Tweede Wereldoorlog en een paar ziekenfondskaartjes. Een calendarium ontbreekt maar er staan hier en daar aantekeningen op de notitieblaadjes. Het is allemaal weinig belangwekkend. En dan zijn er telefoonnummers. Ik bel ze allemaal, behalve als ze heel duidelijk van een taxibedrijf of van de grofvuilophaaldienst zijn. Na al die jaren zijn lang niet alle nummers meer in gebruik en als ze dat wel zijn, leveren ze niets op. Op één na.

Als ik het nummer in Den Haag toets dat Manny heeft genoteerd achter de naam Jeanette Kaagman, wordt er warempel opgenomen door een mevrouw die zo heet. Ik vertel haar waar ik haar nummer heb gevonden en noem de naam van Klijnkramer. Die zegt haar niets. Ik leg haar uit waarom ik de telefoonnummers uit zijn agenda uitprobeer.

“Om eerlijk te zijn”, zegt ze dan, “was ik niet zo lang daarvoor gescheiden en ik ontving af en toe mannen.” Jeanette vertelt dat ze was begonnen met een sekslijn die mannen konden bellen voor een geil praatje. Na verloop van tijd vroegen frequente bezoekers van de lijn om een meer persoonlijke vorm van contact en dan liet Jeanette ze bij haar thuis langskomen.

“Vaak gebruikten ze gefingeerde namen, dus namen zeggen me niks. Maar zo zou mijn nummer in zijn adresboekje kunnen zijn gekomen.” Ik vertel Jeanette wat meer bijzonderheden die ik inmiddels ken over Manny, bijvoorbeeld dat hij een stoma had en, vóór hij in Sliedrecht neerstreek, in Deventer woonde. Dan gaat het haar dagen en ze doet openhartig haar verhaal.

“Nu komt er een beeld. Een dikke man. Die stoma vond ik geen punt, een T-shirt erover en klaar. Als hij belde, spraken we een dag of tien later af. Ik moest vrij nemen van mijn werk want hij bleef altijd lang. Hij wilde nooit ’s avonds komen, altijd overdag. Het was een hele hartelijke man, hij bracht altijd wat mee: groente, fruit, een bloemetje of een fles wijn. Hij betaalde keurig, 50 of 100 gulden. Hij wekte de indruk dat hij in goeden doen was. Hij kwam volgens mij zo eens in de drie à vier maanden. Hij bleef dan wel een halve dag. Hij kwam helemaal uit Deventer en vertrok al vroeg van huis vanwege de files. Hij heette Jan, zei hij. Ik noemde hem Jan van Deventer. We praatten veel, dronken koffie, deden ons ding en dan ging-ie weer weg. Ik ben in 1995 gescheiden, dus dit moet in 1997 of 1998 zijn geweest. Ik ben van Joodse afkomst, zie er ook als een Jodinnetje uit. Ik ben van 1938 en van mijn moeders familie zijn ook veel mensen weggehaald dus over zijn verleden zullen we het zeker wel eens hebben gehad.” Maar ook bij Jeanette kon Manny zijn ware aard uiteindelijk niet verbergen.

“De laatste keer dat ik hem zag, gebeurde er iets raars. We zouden lunchen en reden naar een winkel om boodschappen te doen. Hij wees van alles aan: dat moet je kopen en dat is lekker en dit nog en dat. Bij het afrekenen was hij plotseling verdwenen, nergens meer te vinden. Ik moest betalen en te voet naar huis. Ik heb hem nooit meer gezien. Misschien had hij geen geld op zak of kreeg hij plotseling een telefoontje of herkende hij iemand. Ik ben daar dagenlang heel boos om geweest.”

Ik ben Jeanette dankbaar voor haar sportieve reactie. Eindelijk dan toch een ‘levende’ getuigenis van iemand die Manny op latere leeftijd, zij het oppervlakkig, heeft gekend. Eindelijk een verhaal uit de eerste hand. Maar het is wel meteen het enige concrete resultaat dat zijn zakboek oplevert. Nu ik het relaas van Jeanette heb gehoord, heb ik ook zo mijn gedachten bij een aantal andere namen in de agenda, die van Wilma, Joke en Linda. Maar hun telefoonnummers zijn helaas niet meer in gebruik.  

 

9.

Zij van nummer 105

Om verder te komen, besluit ik het spoor terug te volgen vanaf de begraafplaats in Sliedrecht, waar ik het graf van Manny heb gevonden. In de brief die de notaris indertijd aan Manuela schreef over de nalatenschap, staat letterlijk over hem:  “…laatst gewoond hebbende Elzenhof 105, 3363 HD Sliedrecht”. Officieel stond hij daar echter niet ingeschreven. Volgens de overlijdensakte was zijn woonplaats Deventer. Op welk adres hij overleed, vermeldt de akte helaas niet. Aangezien hij ernstig ziek was, kan het zijn dat hij in het ziekenhuis is gestorven. Hij is daar na zijn dood in elk geval wel geweest want ik vind bij de notarisstukken een declaratie van het mortuarium van het Albert Schweitzer Ziekenhuis te Sliedrecht (175 gulden).

Hoe dan ook, ik ben benieuwd waar en hoe hij zijn laatste levensmaanden heeft doorgebracht. Op de overlijdensakte staat ook wie het overlijden heeft aangegeven: Cornelis Lommers, geboren in Sliedrecht op 18 oktober 1947. Is dat misschien de echtgenoot van de hospita van Manny? Of heeft hij anderszins een relatie met hem? Ik ga naar Lommers op zoek en heb voorlopig geen idee dat ik daarmee op een dwaalspoor zit. Eerst maar eens het telefoonboek. Daarin staan zeven Lommers in Sliedrecht, onder wie twee met een C als voorletter en een derde met een C als tweede voorletter. Ik kan ze allemaal gaan bellen maar daar zie ik nog even vanaf. Eerst wil ik zelf poolshoogte nemen in Sliedrecht. Na mijn bezoek aan de begraafplaats, dat ik eerder in dit verslag al beschreef, ga ik naar het laatste woonadres van Manny. Daar kom ik weer voor nieuwe raadsels te staan.

De Elzenhof is gauw gevonden. Die maakt deel uit van een wat verlopen ‘nieuwbouwwijk’ uit de jaren tachtig. Je hebt er het kleine winkelcentrum Populierenhof met een C1000 en een Chinees restaurant. Daarnaast het bejaardencentrum De Hofstee. Een verpleegster sluit net in een woning de lamellen, zeker tijd voor een middagslaapje. En er is een schooltje, de Sprong. Om die gebouwen heen kronkelt de Elzenhof. Eerst ga ik bij de supermarkt iets eetbaars kopen want het is al lunchtijd geweest. Daarna ga ik op zoek naar nummer 105. In mijn verbeelding woonde Manny in een eengezinswoning maar nummer 105 blijkt een flat te zijn op de vijfde verdieping van een aanleungebouw bij het bejaardencentrum. Ik wacht even tot een bevoegde het wooncomplex binnengaat en glip in zijn kielzog mee. Als ik op de vijfde uit de lift stap, blijkt 105 de eerste woning van de galerij. Ik maak een paar foto’s en druk op de bel naast het naambordje A. van Rosmalen. Een mevrouw doet open en staat me vriendelijk te woord. Het zijn 55plus-woningen, vertelt ze. En als ik uitleg waarvoor ik kom, schudt ze het hoofd.

“Je kunt hier niet iemand hebben inwonen”, zegt ze. “Dit is een tweekamerwoning met één slaapkamer. Er is gewoon geen ruimte.” Heb ik dan misschien het verkeerde adres? Mevrouw Van Rosmalen woont er met haar man sinds januari 2004. Vóór haar woonde er een mevrouw Hak, weet ze nog. De naam Lommers zegt haar niets.

Later thuis bel ik woningcorporatie Tablis Wonen, eigenaar van het aanleuncomplex. Zoals verwacht wijzen ze daar op de privacywetgeving als ik vraag om namen van bewoners. De mevrouw die ik aan de lijn krijg, maakt mij duidelijk dat het ook geen zin heeft een officieel en met redenen omkleed verzoek te doen. Ze is nog wel zo vriendelijk om uit de school te klappen dat er op het adres in elk geval nooit een Klijnkramer als huurder ingeschreven heeft gestaan. Dat is geen verrassing want Manny stond bij zijn dood immers nog in Deventer ingeschreven. Op de namen Lommers en Hak wil ze niet ingaan.

Een paar weken later rijd ik opnieuw naar Sliedrecht. Ik ga om te beginnen nog eens langs bij mevrouw Van Rosmalen op Elzenhof 105. Ze noodt me meteen binnen. Nu is ook haar man, een taxichauffeur en voormalig rijschoolhouder, thuis. Van zijn vrouw had hij al over mijn vorige bezoek gehoord. Ze wonen hier sinds januari 2004. Van de voorvorige bewoners weten ze niets maar de vorige bewoonster, mevrouw Hak, die er vanaf juni 2002 heeft gewoond, blijkt binnen het complex te zijn verhuisd naar nummer 5. Mevrouw Van Rosmalen noemt ook nog Jos Verdonk op de vierde etage als iemand die veel van Sliedrecht en de flatbewoners weet. Haar man loopt met me mee en introduceert me bij mevrouw Hak, een oude dame die na de dood van haar man naar een appartement op de begane grond is verhuisd omdat ze slecht ter been is.

“Mag ik een vreemde meneer bij u binnenlaten?”, vraagt Van Rosmalen aan Hak. Dat mag, als zijn bezoek maar niet te lang duurt want ze moet om twee uur weg. Ik kijk op mijn horloge. Het is één uur. Zoveel plannen heb ik nu ook weer niet met mevrouw Hak. Mevrouw heeft, naar het lijkt, haar zuster of een medebewoonster op bezoek maar het blijkt haar wat ouwelijk uitgevallen dochter te zijn. Ik vertel in het kort mijn verhaal. Zij kan me niet veel verder helpen. Ze was lang uit Sliedrecht weggeweest toen ze op de Elzenhof kwam wonen. De bewoonster voor haar heeft ze maar één keer gezien. Ze heeft weleens gehoord dat er kort een man bij haar heeft gewoond die is overleden. Maar namen of gezichten heeft ze er niet meer bij. Ze verwijst me naar een voormalige buurvrouw op de vijfde etage, die er langer heeft gewoond: mevrouw Stam op 103.

Ook bij mevrouw Stam mag ik binnenkomen. In haar hal hangen ingelijste kalenderplaten van kerkorgels. Haar man, een jaar of zeven geleden overleden, heeft die gemaakt. Het ziet er hemels uit. “Maar het was een hels karwei”, zegt ze, “want hij had toen al erge pijn aan zijn handen.” Ze laat het spul hangen om nostalgische redenen, legt ze uit. We gaan zitten want lang kan ze niet staan. Mevrouw Stam weet meer. En of. Want ‘zij van nummer 105’, die er vóór mevrouw Hak woonde,  was maar een merkwaardige vrouw.

“Je hebt van die mensen die niet zonder mannen kunnen”, weet ze. Zelf moet ze er niet aan denken. “Ik ben 54 jaar met mijn man geweest. Wat moet ik nou met een andere kerel? Hier op die paar vierkante meter zeker.” Ze huivert bij de gedachte.

De vrouw in kwestie heette mevrouw Stoové en was getrouwd met meneer Stoové. Maar die ging dood. “Toen heeft er een poosje een andere kerel gewoond maar die heeft ze er weer uitgebonjourd. Daarna kwam Manny.”

Wijlen de echtgenoot van Stam maakte weleens een praatje met mevrouw Stoové en hij heeft vast ook weleens met Manny gesproken. Maar zijzelf niet. Ik laat een pasfoto van hem zien en ze knikt.

“Dat was hij. Maar in die tijd zag hij er al veel slechter uit. Lijkwit en pafferig.” Hij had een nierziekte, denkt ze te weten.

“Hij kwam niet veel buiten. Soms ging hij wel eens met mevrouw Stoové mee naar de C1000 maar dan bleef hij daar buiten op een bankje wachten. Langer dan een paar maanden heeft hij er niet gewoond.” Zelfs hoe het in huis was georganiseerd, weet mevrouw Stam. Er stond volgens haar nog een bed in de huiskamer van toen Stoové ziek was. Dat doen de mensen hier wel meer. Of Manny thuis is overleden? Ze weet het niet maar ze denkt toch in het ziekenhuis.

“Ze heeft hem in elk geval goed verzorgd”, zegt mevrouw Stam nu vergoelijkend over haar vroegere buurvrouw, “want zo was ze wel. Ze heeft vast alles voor hem gedaan. Voor Stoové deed ze dat ook. Het was eigenlijk best een aardige vrouw. Ze was mannengek maar wel ijverig.”

Weet mevrouw Stam waar Stoové is gebleven? Want zij is de kroongetuige die ik moet vinden en die me veel kan vertellen over Manny.

“Na Manny kwam er weer een nieuwe man”, vertelt mevrouw Stam. ”Nou, dat was hem helemaal! Hij kwam uit het zuiden van het land en met hem is ze naar Brabant verhuisd. Ik dacht naar Tilburg.”

Ik neem afscheid van mevrouw Stam en bel nog even aan bij Jos Verdonk, de man die veel over de flatbewoners zou weten. Zijn vrouw doet open maar hij komt al aanlopen. Heel veel meer kan hij me niet vertellen en hij haalt ook dingen door elkaar, merk ik, dus erg betrouwbaar lijkt zijn informatie me niet. Hij heeft nog wel een verrassing in petto. Er woont nog een broer van mijnheer Stoové in de flat, op de tweede. Bas heet hij en hij is erg doof. Ik ga naar de tweede etage maar Bas Stoové is niet thuis.

 

10.

Een verdrietige ochtend voor Baan

Na mijn gesprekken in de flat, concludeer ik dat het verhaal dat de notaris indertijd vertelde, waarschijnlijk niet klopt. Hij ging er nog vanuit dat Manny per advertentie een kamer had gezocht voor zijn laatste levensmaanden en in Sliedrecht een hospita vond. Gezien de reputatie van mevrouw Stoové en de krappe behuizing in de Elzenhof lijkt het er eerder op dat een eventuele advertentie een contactadvertentie is geweest.

Intussen ga ik thuis verder met de naam Lommers. Wie kan toch de Cornelis zijn die het overlijden van Manny bij de gemeente heeft aangegeven? Na veel zoeken op internet vind ik het antwoord. Cornelis Lommers blijkt een employé van uitvaartonderneming De Drechtstreek. Die heeft kennelijk van de gemeente de opdracht gekregen het lijk weg te werken en heeft ook de administratieve rompslomp voor zijn rekening genomen. Ik hoop dat hij ervoor is betaald. Bij de notaris stond medio 2000 nog een factuur open van De Drechtstreek ten bedrage van f 2077,50. Daaraan kun je zien dat het een heel eenvoudige uitvaart moet zijn geweest. Op de website van De Drechtstreek staat dat een begrafenis tegenwoordig toch al gauw meer dan 6000 euro kost. Voor Manny zat er waarschijnlijk niet veel meer in dan de eenvoudigste kist, een ritje met een rouwwagen en de goedkoopste rechten voor een algemeen graf. Ik vrees dat een bloemetje er niet af kon.

Een week na mijn vorige bezoek, waag ik een nieuwe poging in de Elzenhof. Stoové is nu thuis en ik mag meteen binnenkomen als ik zeg dat ik hem wil spreken. Hij heet trouwens geen Bas maar Baan. Het is een vriendelijke man van 81. Ik moet vooral rechts van hem plaatsnemen want met zijn linkeroor hoort hij niets; met zijn rechter trouwens ook niet alles: het gevolg van zijn werk als scheepsbouwer.

Baan Stoové is de broer van Geerit en die was getrouwd met Ria Kramer. Kijk, nu weet ik meteen de voor- en meisjesnaam van de laatste hospita/vriendin van Manny. Zo kom ik steeds een stapje verder. Een klein stapje want waar Ria gebleven is, weet Baan ook niet precies. Breda is zijn eerste ingeving. Hij heeft alle contact met zijn voormalige schoonzuster verbroken. Baan zegt veel voor zijn broer te hebben gedaan tot en met het regelen van zijn begrafenis nadat hij op 3 april 1999 was overleden. Maar daarna was Ria een beetje lastig geworden. Ze klopte steeds bij hem aan om te vragen of hij een boodschap mee wilde doen.

“Ik had in die tijd nog een auto”, zegt hij. “Vandaar.” Dat gezeur werd Baan op den duur een beetje te gortig. Wat later in het gesprek komt de aap pas echt uit de mouw: Ria probeerde werk van hem te maken en daar zat Baan niet op te wachten. Hij had haar dus gezegd dat hij geen contact meer met haar wilde. Het duurde niet lang of er was toch weer een man in huis: Manny. Hem heeft Baan eigenlijk nooit gezien. Wel weet hij dat de man ziek was en op een gegeven moment zelfs in een rolstoel zat.

Wat kan hij nog over Ria vertellen? Ze was aanvankelijk getrouwd met ene Vervoort maar daar was ze van gescheiden.

“Ja, dat is allemaal een beetje typisch gegaan.” Toen ze nog getrouwd was met Vervoort, scharrelde ze al een beetje met Geerit want Baan had het tweetal weleens in een parkje betrapt. Hij pakt de rouwkaart van Geerit erbij. Daarop is sprake van ‘echtgenoot, vader en schoonvader’ maar er wordt slechts ondertekend door Ria en twee zoons uit Ria’s eerste huwelijk en hun partners: Martin en Jeltje en Kees en Marian. De naam van Jacob, de enige zoon van Geerit uit zijn eerder huwelijk, ontbreekt. Niet voor niets, denkt Baan, want de zoon was ‘not amused’ over de strapatsen van pa met Ria.

Ik bezorg Baan tot mijn spijt een verdrietige ochtend.

“Alles komt weer terug”, zegt hij want bij de overlijdenskaarten komt hij ook die van zijn vrouw weer tegen. Die leed lang aan psychische aandoeningen. Hij vertelt er schrijnende verhalen over. Twee keer moest hij met hulp van de politie door ruiten in te gooien zijn eigen huis in. Er is meer ellende in zijn leven. Hij heeft geen contact meer met een zoon en hij heeft net een herniaoperatie achter de rug. Een oude vriend, die tot zijn verrassing in de flat was komen wonen en met wie hij intensief optrok, is een paar weken geleden ook al gestorven. Droefenis alom dus. Gelukkig knapt hij weer helemaal op als hij de schilderijtjes van zijn hand laat zien, die overal in huis hangen. Hij heeft altijd veel geschilderd en binnenkort pakt hij het penseel weer op, zo is het plan. Het zijn ouderwetse voorstellingen (zeilboten op zee en Hollandse winterlandschappen) maar met veel talent gemaakt. Ook bloemen heeft hij veel geschilderd.

Baan is wat in de war af en toe. Tijdens het gesprek heeft hij het over een dochter van Ria die in de Populierenhof zou wonen, die grenst aan de Elzenhof. Maar volgens de rouwkaart van Geerit heeft Ria helemaal geen dochters, alleen schoondochters. Als ik hem daarmee confronteer denkt hij dat ik gelijk heb. Ik neem hartelijk afscheid en laat hem alleen met zijn overpeinzingen.

 

11.

Een ongelikte beer uit Zwijndrecht

Ik heb nu wat aanknopingspunten voor verder onderzoek. Ik weet dat het Ria Kramer was, die Manny in huis heeft genomen. En dat zij de weduwe is van Geerit Stoové en daarvoor met ene Vervoort was getrouwd. En er zijn kinderen uit dat eerste huwelijk. Laat ik daar maar eens mee beginnen. Die moeten Manny ook kennen en ze kunnen me het nieuwe adres van Ria bezorgen. Na opnieuw veel gezoek op internet en het opbellen van alle Vervoorts in de regio kom ik uit bij Martin Vervoort in Zwijndrecht en zijn vrouw Jeltje Bergers. Een telefoonnummer van henzelf is niet te vinden maar uiteindelijk krijg ik wel een Hyvesadres te pakken, waardoor ik het volgende bericht kan zenden: “Beste Martin, Ik ben op zoek naar de Martin Vervoort die een zoon is van Ria Kramer. Als jij dat bent mail of bel mij dan alsjeblief even.” Bijna twee weken later komt er een reactie via Hyves: “dat is mijn moeder hoezo? ik weet namelijk niet wie jij bent?” Ongelikte beer dus. Geen aanhef, geen groet, geen hoofdletters. Past prima bij zijn profielfoto: groot, kaal en een ordinaire kop. Enfin, ik reageer meteen met een korte samenvatting van mijn missie en meld dat ik er achter ben gekomen dat Manny de laatste maanden van zijn leven ‘liefdevol’ is verzorgd door zijn moeder en ik vraag om contactgegevens van haar.

Nog geen anderhalf uur later meldt Martin zich weer, opnieuw zonder aanhef en groeten maar dit keer met één hoofdletter midden in zijn bericht.

“hallo ik heb contact gehad met mijn moeder en ze wil verder geen contact om de volgende reden:

emmanuel ook wel mani genoemd was geen aardige man. uit naam van mijn moeder zeg ik dat uw overleden schoonvader haar met torenhoge schulden heeft opgezadeld waar ze de komende 5 jaar nog wel mee bezig is om te betalen. hij had geen 1 verzekering dus mijn moeder heeft ook voor al deze kosten op moeten draaien. hij was ook zeer dominant tegenover mijn moeder en heeft haar zelfs geslagen in bijzin van visite. dat ik pas te horen kreeg na zijn overlijden. Ik en mijn vrouw hebben een dochter met een verstandelijke beperking en ook zij heeft het nodige te verduren gehad ze kreeg ook schoppen van hem als ze een beetje wild was met speelgoed. dit is zelfs zo ver gegaan dat mijn dochter op 3 jarige leeftijd niet meer naar haar oma wilde omdat mani haar sloeg/schopte. uw schoonvader heeft in die paar maanden tijd voor 3000 euro naar erotische 0906 nummers gebeld achter mijn moeder haar rug om. tevens had hij de overlijdens akte van mijn moeders vorige man gestolen en bij zijn eigen bezittingen bewaard. uw schoonvader ligt begraven in sliedrecht en dit is een graf van de gemeente omdat mani niet verzekerd was en mijn moeder al behoorlijk veel te betalen. als u meer informatie wil kan ik dat aan u doorgeven. verder zoeken raad ik u af om meer teleurstelling te voorkomen.”

Nou nou! Ik hoef Manny niet postuum te verdedigen maar mij lijkt dat Martin hier toch wel een beetje overdrijft. Van die schulden en die verzekeringen, dat geloof ik direct. Maar de getuigen van zijn leven zeggen tot nu toe dat Manny een aardige, sociale man was in de omgang en niemand heeft nog gerept van agressiviteit in zijn optreden. Dat hij een meisje met een verstandelijke handicap slaat en schopt past niet in dat plaatje. En waarom zou hij de overlijdensakte stelen van de vorige echtgenoot van Ria? Verder bevestigt ook dit verhaal dat Manny niet slechts ‘onderhuurder’ was bij de weduwe Stoové.

Ik schrijf Martin een bericht terug met veel blijken van sympathie voor zijn zaak en afkeurende woorden over mijn schoonvader. Maar toch wil ik zijn moeder graag spreken. Hij trapt er niet in. Zijn laatste bericht: “-hallo mai heeft inderdaad verteld dat ie eerder getrouwd geweest is e dat hij een dochter had. mijn moeder is een aantal keer met mani in zijn oude huis geweest ik ben er alleen niet meer zeker waar dat was. mani had zeer slechte nieren en moest 2x per week dialyse doen. dit heeft toentertijd ook behoorlijk ons kerstfeest verziekt omdat meneer opeens niet meer wilde eten na de dialyse na een paar maanden is hij op de elzenhof thuis overleden aan een hartinfarct. mani was ook diabetes patient. contavct met mijn moeder dat zal niet gaan ze wil de nare herinningen achter zich laten en verder met haar leven die ze nu lijd.”
Tja, je voelt al gauw aan dat verder aandringen niet veel zal opleveren. Wat dat betreft zit het niet mee. Ik weet nu wel dat Manny twee keer per week een dialysebehandeling moest ondergaan. Manuela wist al dat hij een nierziekte had. Dat was wellicht erfelijk want ook tante Sophie was nierpatiënt. Dat hij diabetes had, verbaast me niet vanwege zijn corpulentie. Hij is, zo staat nu vast, thuis bij Ria overleden. Waarom een heel kerstfeest is verziekt omdat een zieke huisgenoot niet kon of wilde eten en waarom dat in dit verband relevant is, vraag ik me maar niet af want er zijn al vragen genoeg.

Ik speur verder naar Ria in Tilburg en Breda maar dat levert niets op. Weer een spoor dat doodloopt op frustratie. Korte tijd later zie ik dat Jeltje Bergers op mijn Schoolbankpagina heeft rondgeneusd. Ik had tijdens mijn internetspeurtocht ook die van haar bezocht en dat heeft ze kennelijk gezien. Oog om oog.

 

12.

De schoonmoeder van Jeltje

Mijn bronnen raken uitgeput en ik besef dat het niet gaat lukken een fatsoenlijke reconstructie van Manny’s leven te maken. Dus zet ik mijn onderzoek op een laag pitje. Pas als ik een paar jaar later stop met werken en wat meer vrije tijd krijg, pak ik de draad weer op. Op internet surf ik nog eens naar het Zwijndrechtse stel. Op Facebook zie ik tot mijn verbazing dat Jeltje, de vrouw van mijn correspondentievriend Martin Vervoort, in Tilburg is en bij haar schoonmoeder gaat helpen. Tilburg dus en geen Breda. Weer een stapje, denk ik in mijn onschuld. Maar als ik Jeltje’s Facebookpagina verder bekijk, zie ik dat ze wel erg veel in Tilburg is. Ze is zelfs steward bij Willem II en ze wekt de indruk dat ze er al jaren woont. Ik kom er achter dat dat inderdaad zo is en dat ze nu de vriendin is van ene Leo Venmans. Ze is dus weg bij Martin Vervoort. En de schoonmoeder van wie sprake is, is dus niet Ria Kramer maar Leo’s moeder. Wat een bizarre ontwikkeling! Hoe zit dat?

Ik trek de stoute schoenen aan en stuur Jeltje een bericht via Facebook, waarin ik beleefd vraag of ik haar e-mailadres mag hebben omdat ik haar een mailtje wil sturen. Ik krijg prompt een reactie: ze geeft haar e-mailadres niet zomaar aan iedereen en waar gaat het eigenlijk over? Ik vertel in het kort dat ik indertijd op zoek was naar Martins moeder en daarover met Martin een mailwisseling heb gehad en erg verrast ben haar nu in Tilburg aan te treffen. Ze reageert opnieuw meteen en er ontspint zich zowaar een dialoog tussen ons, onverwacht openhartig van haar kant. Ze woont al drie en een half jaar in Tilburg. Ze is op een dag weggelopen bij Martin, toen hij even de deur uit was. Ze heeft vijftien jaar bij hem gewoond, vertelt ze, waarvan tien jaar getrouwd maar ineens is het met de relatie snel bergafwaarts gegaan. Er was weinig respect voor haar en ze is door hem vernederd. Ik herinner me de berichten van Martin en dat verbaast me dus niks.
“Een vrouw hoeft toch niet alles te pikken?”, vraagt Jeltje retorisch. Ik informeer hoe het indertijd met de breuk is afgelopen. Als ze zomaar bij hem is weggevlucht, heeft dat dan bij de scheiding geen problemen gegeven met de kinderen en de verdeling van bezittingen? Jeltje schrijft dat ze eerder al van Martin was gescheiden.
“Dat was beter in verband met de schuldsanering.” En de kinderen hebben ze verdeeld: hij de zoon en stamhouder, want dat vinden ze in de familie Vervoort belangrijk, en zij de dochter.
“Naar haar kijkt hij trouwens toch niet om want die lijkt sprekend op mij en kan ‘dus’ zíjn dochter niet zijn.” En al Jeltje’s spullen – op de kleren na die ze heeft meegenomen – heeft hij verkocht of weggegooid.
“Ook mijn diploma’s.” Laag allooi, ik wist het.

Ik begin tegen Jeltje weer over Martins moeder. Of ze weet waar die woont en of ze de naam van de vriend kent. En warempel: een minuut later heb ik een achternaam en een straatnaam; ze woont nota bene op een steenworp afstand van Jeltje. Plus de bonusinformatie dat Ria Kramer rolstoelafhankelijk is. Even zoeken op internet en ik heb het exacte adres en het 06-nummer van de vriend: J. Boer. Zijn mobiele nummer bellen vind ik link: hij kan me al bij voorbaat afpoeieren. Een vast telefoonnummer hebben ze kennelijk niet. Ik besluit dus maar een keer langs te gaan.

 

13.

De hond is koest; de man blaft

In de regen rijd ik naar Tilburg. Mijn ruitenwisserblad aan de bestuurderskant is nogal beschadigd dus mijn zicht is slecht. Onderweg koop ik bij een benzinestation een doos chocola als binnenkomertje. De Hopliedenkade, waar Boer en Stoové wonen, ligt aan de Piushaven, een paar honderd meter van het huis waar ik woonde toen ik op de lagere school zat. Het is een betrekkelijk nieuw complex met, zo is mijn inschatting, huurappartementen. Als ik in het portiek aanbel, antwoordt een mannenstem en er klinkt hevig geblaf op de achtergrond. Ik zeg dat ik mevrouw Stoové even wil spreken en meteen zoemt de deur gastvrij open. Eerste horde genomen; ik ben binnen. Ik moet een paar trappen op en zie de man al staan in zijn deuropening aan de binnengalerij.

“Moet u hier zijn?”, vraagt-ie onder aanhoudend geblaf uit het huis. Ik herhaal dat ik voor mevrouw Stoové kom en hij stapt opzij en laat me binnen. Het is een kleine, gezette man met een dikke nek en een wat ordinair voorkomen. Ik begroet een middelgrote lelijke witte hond, die nieuwsgierig maar niet agressief op het bezoek afstuift.

“Pas op hoor”, grapt mijn gastheer, “ik ben al een vinger kwijtgeraakt.” Maar ter geruststelling voegt hij eraan toe dat blaffende honden niet bijten.

“Ze zeggen het”, antwoord ik en sta meteen in de huiskamer. In een fauteuil zit de vrouw des huizes. Het is een oude dame met een bril op. Ze ziet er broos uit en glimlacht vriendelijk. Haar gebaren zijn licht spastisch. Ik geef haar een hand en stel me voor. “Mevrouw Kramer”, zegt ze. Eindelijk sta ik dan oog in oog met de vrouw met wie Manny zijn laatste maanden doorbracht. Ik overhandig haar de doos chocola “omdat ik zomaar binnen kom vallen”.

“Ze is vandaag jarig”, zegt de man.

“Nou, dan komt het helemaal mooi uit. Gefeliciteerd.”

De vrouw noodt me op de bank naast haar en ik ga zitten. Na nog wat beleefdheden, begin ik aan mijn zorgvuldig gerepeteerd verhaal. Dat ik journalist ben en een publicatie voorbereid over de Tweede Wereldoorlog, althans over mensen die in de oorlog zijn geboren. Dat een van hen Emanuel Klijnkramer is en dat ik mensen zoek die hem gekend hebben en nog iets over hem kunnen vertellen. Ik kijk naar Ria om te zien welk effect die naam op haar heeft maar ze blijft glimlachen en geeft geen kik. Ik wil de naam Manny in de strijd gooien maar dat hoeft al niet meer. De man, die een paar meter verderop in de open keuken rondscharrelde, gaat gelijk in de aanval.

“Dat doen we niet”, zegt hij bot. “We gaan hier niet over de oorlog praten. Daar heb ik helemaal geen behoefte aan”. Als ik zeg dat ik alleen maar wat informatie wil, loopt hij rood aan. Hij herhaalt dat hij daar geen énkele behoefte aan heeft.

“Maar”, zeg ik, “het gaat me niet om u, het gaat me om mevrouw.”

“En zij ook niet”, bitst hij. De hond houdt zich koest; het is nu de man die blaft.

“Stap meteen maar weer op. Hier zitten we niet op te wachten.” Zeker fout geweest in de oorlog, is mijn eerste gedachte. Maar dan zeg hij:

“Ik ben 70, ik heb de oorlog niet meegemaakt en ik wil er niks mee te maken hebben.”

“Maar ik kom helemaal uit de Randstad”, probeer ik hem milder te stemmen.

“Al kwam je uit Amerika!” Hij raakt steeds meer opgewonden. Zelfs mevrouw zegt “rustig”, maar is duidelijk gewend hem niet tegen te spreken. Ze blijft glimlachen en ik heb het gevoel dat ze me uitvoerig te woord zou hebben gestaan als ze de kans had gekregen. De man raast maar door. Dat, als ik meteen had gezegd wat de bedoeling was, hij de deur niet eens had opengedaan. Daarna gaat hij over op niet ter zake doende argumenten.

“Ik kom uit Gelderland en zij komt uit Sliedrecht en we hebben veel meegemaakt en hier hebben we geen behoefte aan.” En: “Mijn vrouw is invalide en ik ben met werken opgehouden om voor haar te zorgen.” Hij loopt geagiteerd rond en ik sta maar op van de bank. Dit wordt niks; die krijg ik niet gekalmeerd.

“Neem dat maar weer mee”, wijst de man naar de doos Merci. Maar ik zeg dat die voor mevrouw is en ik wens haar nog een prettige verjaardag. Als ik de kamer uitloop, zie ik nog net een foto hangen van een skinhead met een forse Surinaamse naast hem: Martin Vervoort met de opvolgster van Jeltje. Ik bedenk met schrik dat ik hem hier zomaar op verjaarsvisite had kunnen treffen. Bij de voordeur duwt mijn vriendelijke gastheer me nog net niet naar buiten en zegt “tot ziens”. “Nou, dat denk ik niet”, roep ik nog. Ik ben geen vijf minuten binnen geweest en ik vraag me af waar die agressie ineens vandaan kwam. Ik denk dat hij mij wel de naam van Klijnkramer heeft horen noemen en er daarom korte metten mee heeft gemaakt. Van de Piushaven rijd ik naar de begraafplaats aan de Bredaseweg en zoek daar mijn moeder even op.

 

14.

De dood of de gladiolen

Een andere route die ik nog kan nemen is die via Manny’s tweede vrouw, Martha Korper. Haar persoonlijk spreken gaat helaas niet meer want ze overlijdt kort voor ik met mijn zoektocht begin, op 15 januari 2009 in Amersfoort. Het huwelijk van Manny en Matje duurde formeel vijftien jaar, van 6 april 1982 tot 9 mei 1997. In werkelijkheid waren ze korter samen want in zijn tweede brief aan Manuela meldt Manny dat hij al medio 1995 bij Matje weg is. Ik heb geen idee hoe dat tweede huwelijk geweest is; niemand die er mij iets over kon of wilde vertellen. Later zal ik vernemen dat Manny beschuldigd is van oplichting door op naam van zijn vrouw een groot bedrag te lenen maar de precieze toedracht krijg ik niet te horen. Alle reden, in elk geval, om aan te nemen dat ook dit huwelijk niet in harmonie is geëindigd. Dat zou ook niet bij Manny hebben gepast.

Martha Korper had drie kinderen uit haar eerste huwelijk met Van den Berg: Margje, Matthijs en David. Ook zij had, zoals gezegd, een oorlogsverleden. Ik kan op internet niet veel over haar vinden. Wel tref ik haar naam aan op een lijst met overlevenden van het concentratiekamp Theresienstadt. De gegevens zijn zo summier dat het in principe ook om een naamgenote van dezelfde leeftijd kan gaan maar dat denk ik niet.

Met de naam Van den Berg kom ik niet verder als het gaat om het traceren van haar eerste echtgenoot. Dus probeer ik haar kinderen op te sporen. Omdat ze mede-erfgenamen van Manny zijn, staan hun naam, geboortedatum en adres in de notarisstukken. Margje woont in Raalte, de beide broers in Amersfoort. Ik vraag me af hoe ik ze het beste kan benaderen want ze staan waarschijnlijk niet te springen om hun ervaringen met die vreemde stiefvader met mij te delen. Bovendien heb ik van Manuela begrepen dat ze ten tijde van haar relatie met Manny niet bij hun moeder maar bij hun vader woonden. Ik heb dus geen idee of en zo ja wat voor contact ze met Manny hadden. Vaste telefoonnummers staan niet in het online telefoonboek; ze thuis overvallen lijkt ook geen goed plan. Misschien een brief. Maar omdat ik adressen heb van bijna tien jaar geleden, wil ik eerst nagaan of die nog kloppen. Ik ga naar Amersfoort en neem een kijkje op het adres aan het Wolfseind, waar Matthijs zou wonen, maar er staat niks op de deur en er is niemand thuis. Bij die gelegenheid moet ik het daarbij laten.

De eerste keer dat ik naar Amersfoort ga om te verifiëren of David inderdaad nog in de Einsteinstraat woont, stuit ik op de Eneco Ronde van Nederland, die een tijdrit door Amersfoort verrijdt. De halve stad is afgesloten en in de overige helft staat het verkeer langdurig vast. Vervolgens word ik de verkeerde kant op omgeleid. Lopend ga ik nog wel even op zoek naar de Einsteinstraat maar dat wordt niks. Ik zie een paar renners over het regenachtige parcours rijden, onder wie Edwald Boasson Hagen, die het eindklassement van de ronde zal winnen, en ga dan onverrichterzake terug.

Een week of wat later vind ik het bewuste adres snel in een vooroorlogse volksbuurt in Amersfoort-Zuid. Op nummer 8, ergens middenin een troosteloos rijtje huizen, tref ik een voortuin met alleen wat hoog opgeschoten onkruid aan en een verveloze zitbank. Het ziet er niet veelbelovend uit. Ook hier natuurlijk geen naambordje. Door het raampje in de deur kan ik door de gang in de keuken kijken, waar twee fietsen ondersteboven staan te wachten op reparatie. Het wekt allemaal een sjofele indruk. Als ik door het grote voorraam loer, zie ik een paar mannen in de huiskamer zitten, type ruwe bolster met dito pit. Ze drinken gezellig een biertje uit de fles terwijl het voor andere mensen midden op de werkdag is. Ik denk dat ze me gezien hebben, dus ik kan niet meer terug en bel aan. Meteen gaat de deur open want één van de gasten gaat net weg. Hij roept naar binnen dat er volk is, waarna de heer des huizes poolshoogte komt nemen. Hij is midden 40, kaal en mist de paar flinke tattoos en de oorring die hem niet zouden misstaan. Ik slik, stel me voor en vertel hem de reden van mijn bezoek. Ik wil graag wat meer weten over de man met wie zijn moeder vijftien jaar getrouwd is geweest.

“Nee”, zegt hij meteen, “daar heb ik geen behoefte aan.” Daar is er weer een! Hoe vaak heb ik de afgelopen tijd dat kulargument niet gehoord om niet met mij te praten. Jij hoeft er geen behoefte aan te hebben, denk ik, maar ik misschien wel.

“Nee”, herhaalt hij nadrukkelijk, “daar heb ik helemáál geen behoefte aan.” Het is vooral de agressieve toon die mij doet afzien van verder aandringen. Op mijn vraag of zijn broer of zus me wellicht wel te woord willen staan, haalt hij zijn schouders op. Ik moet het vooral proberen, zegt hij. Maar waar woont zijn broer? Nog op het Wolfseind? David roept naar zijn kornuiten in de kamer hoe het ook alweer heet waar Thijs tegenwoordig woont.

“Het Masker.” Welk nummer?

“Weet ik niet. Bij die bejaardenhuisjes, kan niet missen.” En zijn zus woont “ergens voorbij Zwolle”. Ik vertrek want de onwil is te groot om verdere pogingen te doen iets los te krijgen. Terug in de auto zie ik op het stadsplan van Amersfoort dat Het Masker een eindeloos lange straat is. Ik ga naar huis.

Volgende patiënt: Margje Gerdina van den Berg. Dat ze aan de Kastanjesingel in Raalte woont, weet ik uit de notarisstukken. Ik kom erachter dat ze getrouwd is met ene Lambertus Johannes (Bennie) Zeeman. Telefoon hebben ze niet, althans geen vast nummer. Er woont volgens het telefoonboek wel een Zeeman op een ander nummer aan de Kastanjesingel en ene L. Zeeman in een andere straat. Ik bel ze allebei maar ze slaan niet aan op de naam Van den Berg. Als ik het huisnummer in de postcodegids check, krijg ik een foutmelding. Toch besluit ik Margje een brief te sturen. Ik schrijf vriendelijk en vrij uitvoerig waar het mij om gaat en vermeld mijn e-mailadres en telefoonnummer. Een paar dagen later krijg ik de brief ongeopend retour van Post.nl: foutief adres.

Het betekent dat ik via de kinderen van Matje geen steek verder kom. Ook dit spoor loopt dood. 

 

15.

Vreemde snuiters in de wijk

Van de notaris heb ik een uittreksel gekregen uit de gemeentelijke basisadministratie dat een overzicht geeft van de adressen waar Manny stond ingeschreven sinds 1 juni 1992, dus de laatste acht jaar van zijn leven. Het is het soort informatie dat je als gewone sterveling niet loskrijgt op het stadskantoor. De lijst begint met twee adressen in Almere, waarna staat aangetekend dat hij op 23 september 1996 uit Nederland is vertrokken naar een onbekend land. Vanaf 1 november van dat jaar vestigt hij zich volgens de stukken weer in Nederland (“Land vanwaar ingeschreven: onbekend.”) en gaat wonen in Meppel. Vandaar vertrekt hij een jaar later naar Deventer, waar hij op 30 december 1997 in de Molenstraat 79 terechtkomt. In februari 1998 verkast hij binnen de gemeente naar de Bursestraat 70 en een jaar later naar de Bursestraat 72. Daar staat hij nog altijd ingeschreven als hij in april 2000, zo’n 140 kilometer verderop, in Sliedrecht overlijdt. Ook al blijkt mij gauw dat er een logische relatie is tussen de laatste drie adressen in Deventer, de geregistreerde periode geeft een goede indruk van het leven dat Manny leidt: zwervend van het ene adres naar het andere. En de werkelijkheid is nog veel verwarrender. Immers, het ingeschreven staan op een adres zegt niets over de werkelijke verblijfplaats, bij Manny althans niet. We hebben gezien dat hij in Sliedrecht woont terwijl hij in Deventer staat geregistreerd. En in maart 1996 schrijft hij aan Manuela vanaf het adres Zweelenbrink in Emmen. Op dat moment woont hij officieel in Almere.

Het natrekken van de adressen in Almere, Meppel en Emmen geeft geen enkel houvast. Ik denk dat Manny in Almere op twee adressen heeft gewoond met Matje en na het beëindigen van de relatie naar Emmen is vertrokken. Daarna volgen de merkwaardige twee maanden dat hij zogenaamd in een onbekend buitenland heeft vertoefd. Manny weet heel goed hoe hij zich onvindbaar moet maken. En dat moet ook wel met het groeiende leger van schuldeisers en andere vijanden dat hem op de hielen zit. Ook Matje heeft nog een financieel appeltje met hem te schillen.

De adressen in Deventer leveren meer op. Het eerste is de Molenstraat 79. Ik achterhaal het telefoonnummer en bel de huidige bewoner. Heidi van de Vrugt huurt het huis sinds zeven jaar en woont er met haar twee kinderen.
“Een leuk huis om te wonen”, zegt ze, “en op een mooie plek in de stad.” In de jaren zeventig was het een afbraakbuurt (“we rookten hier stickies en dronken wijntjes”), die daarna helemaal is opgeknapt. Alleen de gevels van de huizen zijn blijven staan. Voor zover Heidi weet is het altijd een gewoon woonhuis geweest. Ze kan natuurlijk niets zeggen over ene Klijnkramer, die hier van eind 1997 tot februari 1998 woonde, acht jaar voor zij er in trok. Maar:
“Er wonen wel meer vreemde snuiters in de wijk. Het is een sociale buurt, mensen zorgen een beetje voor elkaar.” Ze belooft bij een oude buurtbewoner te informeren of die nog iets weet. Als dat het geval is zal ze me bellen, maar ik hoor niets meer van Heidi.

De adressen in de Bursestraat zijn van Iriszorg. Dat is een regionale instelling die zich inzet voor mensen die de grip op hun leven kwijt zijn, bijvoorbeeld door een verslaving of door problemen op het gebied van huisvesting en werk. Manny heeft daar van februari 1998 tot een onbekende datum in 1999 gewoond. Ik meld me bij de centrale afdeling voorlichting van Iriszorg in Arnhem want ik ben tenslotte journalist maar illusies maak ik me niet. Het zal moeilijk zijn om zoveel jaar na dato en met het strenge privacybeleid daar iets los te krijgen over een voormalige bewoner. Tot mijn verrassing krijg ik niet alleen een vriendelijke maar ook een zeer behulpzame voorlichter Leone Brokx aan de lijn. Zij betwijfelt of er nog een dossier over Manny is maar ze denkt hardop met me mee en adviseert me een mail te sturen aan Wendy Bokhove, de afdelingsmanager van Iriszorg in Deventer, waar Manny heeft gewoond. Dat doe ik en ik leg uitgebreid uit waar ik mee bezig ben en wat ik zou willen. Drie weken hoor ik niets en ik ga ervan uit dat er geen reactie meer komt maar dan krijg ik een mail van Leone met het verzoek haar te bellen. Er blijkt achter de schermen druk te zijn overlegd over mijn verzoek en men is geneigd mij ter wille te zijn. Vooral omdat er nog een begeleider bij Iriszorg werkt die zich Manny goed herinnert en denkt dat hij geen bezwaar zou hebben tegen het geven van informatie over hem “omdat hij graag in het middelpunt van de belangstelling stond”. Voorwaarde is dat Manuela als enige nabestaande verklaart geen bezwaar te hebben tegen het vrijgeven van informatie over haar vader. Met een mailtje van haar is dat zo gepiept. Zo kom ik in contact met Rob Rensink, de begeleider. Eindelijk kan ik iemand spreken die Manny zelf van nabij heeft meegemaakt. We spreken af op zijn werkplek in Deventer. Voor ik naar de afspraak met Rob ga, wandel ik door de Bursestraat, die vlakbij zijn kantoor is in een wijk achter de IJsselkade, en vind de huizen waar Manny heeft gewoond.

Rob is een aardige man van middelbare leeftijd en hij neemt me mee naar de kantine voor een gesprek. Hij vertelt dat Iriszorg nu een hele grote, professionele organisatie is maar in de jaren negentig nog een betrekkelijk kleine stichting, die met subsidie van de gemeente aan dak- en thuislozenopvang deed.
“We werkten met één coördinator en drie groepsleiders, meer niet.” Rob begint met een teleurstellende mededeling maar die komt niet onverwacht. Hij is twee keer in het archief gedoken maar heeft niets meer over Manny kunnen vinden. Geen dossier maar ook geen overdrachtsboekjes en juist daar staan altijd veel bijzonderheden in, zegt hij. Hij sluit niet uit dat er toch nog iets is maar het archief is nogal een chaos. Mocht hij nog iets vinden, dan hoor ik het meteen. Ik moet het dus doen met het geheugen van Rob en loop bijzonderheden mis over de intake van Manny, hoe hij vanuit Meppel nu weer in Deventer verzeild raakte, zijn geschiedenis die wellicht daarbij is opgetekend, de exacte problemen die hij had en de reden dat hij op enig moment ook weer vertrok. Wel hoor ik nu dat ook het pand in de Molenstraat, waar Heidi van de Vrugt tegenwoordig woont, indertijd van Iriszorg was en dat Manny daar aanvankelijk was ondergebracht.

“Ik weet niet meer hoe hij bij ons terechtkwam”, vertelt Rob, “maar mensen konden in die tijd aankloppen en dan werden ze geholpen. Hij woonde in het begin met twee andere mannen in de Molenstraat. Dat ging wel goed samen, ze kookten voor zichzelf. Ik ging natuurlijk met enige regelmaat langs. Wat me opviel was dat hij dan altijd zat te bellen. Toen de telefoonrekening kwam, bedroeg die 9000 gulden. Dat was wel even schrikken.”
Ik moet meteen denken aan wat Martin Vervoort me vertelde, dat Manny bij zijn moeder voor meer dan 3000 gulden aan sekslijnen had gebeld. Ik vraag er Rob naar.
“Wie of wat hij belde, weet ik niet. Ik heb hem ernstig op zijn belgedrag aangesproken en gezegd dat hij dat geld moest terugbetalen. Dat heeft hij gedaan. Hij had aardig wat te besteden, had een behoorlijke WAO-uitkering. Het geld kwam bij ons binnen, wij hielden het in en hij kreeg zakgeld. Binnen een halfjaar had hij de telefoonrekening terugbetaald.”
Toen Iriszorg het pand aan de Molenstraat afstootte, verhuisde Manny naar de Bursestraat. Rob ziet hem nog voor zich.

“Hij was erg dik en ziek. Hij moest om de dag naar het ziekenhuis voor dialyse en hij had suiker. Bij warm weer was het erg heet op zijn kamer. Dan zat-ie in zijn onderbroek, zag je al die littekens van het spuiten.”

Ik vraag Rob wat Manny zoal deed de hele dag, wat waren zijn bezigheden?
“Hij deed niet veel”, zegt Rob. “Volgens mij had hij eigenlijk niets omhanden. Op een keer vroeg hij of ik bij een gesprek wilde zijn dat hij met een advocaat zou hebben. Het ging over een schikking want hij werd beschuldigd van oplichting. Hij zou op naam van zijn ex-vrouw een lening hebben afgesloten van 120 duizend gulden. Manny ontkende dat-ie dat had gedaan. Hij was een handige prater. Na enig gesteggel bleef er nog 60 duizend gulden over. Hoe het daarmee verder is afgelopen weet ik niet.”
Rob kon goed met Manny overweg; de andere bewoners trouwens ook. Waarom en wanneer Manny Iriszorg precies heeft verlaten, herinnert Rob zich niet meer. Wel dat hij vrijwillig wegging.
“Hij is in elk geval niet weggestuurd. Het staat me bij dat hij ergens een kamer had gevonden. Hij ging bij een vrouw wonen. Hij moest geloof ik nog een bed kopen.”

De medewerking van Iriszorg was sympathiek – eindelijk eens een deur die niet meteen werd dichtgesmeten. Maar de doorbraak waarop ik even hoopte, bleef achterwege. Geen stevig dossier vol feiten, achtergronden, observaties en diagnoses van psychologen en maatschappelijk werkers. Ik hoor later niets meer van Rob. Hij heeft dus niets meer over Manny gevonden.

 

Epiloog

Oorlog, ziekte, dochter

Al sinds zijn overlijden in 2000, liep ik rond met het vage plan te proberen iets te achterhalen over het leven van Emanuel Klijnkramer. Maar door allerlei oorzaken werd het 2009 voor ik daar echt werk van maakte. Ik ben er toen een periode heel intensief mee bezig geweest maar al gauw bleek dat het een taaie klus zou worden. Heel moeizaam wist ik, en dan nog mondjesmaat, wat feiten bij elkaar te harken. Een doorbraak was het vinden van de getuigenissen van Lies Kuyt-Engelander, die een goed beeld geven van de eerste levensjaren van Manny. Vervolgens ging ik op onderzoek uit in Sliedrecht en daar vergaarde ik wat meer recente informatie. Daarna zat ik vast. Ik was niet van plan op te geven maar door de geringe vorderingen stagneerde het werk. Ik zette het daarna voort, zij het met soms lange tussenpozen en in de wetenschap dat het me nooit zou lukken ook maar in de verste verte een volledig beeld te krijgen van het leven van Manny. Toen bedacht ik dat ook de zoektocht op zichzelf al een verhaal was, dat kon worden opgeschreven samen met de dan toch nog gevonden informatie.

Ik had bij mijn poging tot reconstructie in veel opzichten gewoon pech. Om te beginnen was ik te laat. Herinneringen waren bij mensen weggezakt, telefoonnummers klopten niet meer, op adressen woonden nieuwe mensen en documenten waren niet meer te vinden. Manny’s zwerftocht door Nederland en het feit dat hij meestal liever niet gevonden wilde worden, hielp natuurlijk ook niet. Hij woonde op veel adressen, overal kort, en werd dus ook nergens goed gekend.

Hele belangrijke getuigen liep ik helaas mis. Jan Kuyt en Lies Kuyt-Engelander heb ik niet meer kunnen spreken. Ook Manny’s tweede ex-echtgenote, Martha Korper, was net overleden toen ik aan mijn speurtocht begon. Zijn eerste ex-echtgenote is mijn nog springlevende schoonmoeder maar die lijdt aan een morsdood geheugen.

Ook heb ik mensen niet kunnen vinden, zoals de dochter van Jan en Lies Kuyt. Zij zou een mooie bron zijn geweest maar vermoedelijk voert zij niet haar meisjesnaam en wellicht is ze uit Amsterdam vertrokken. Ik heb alle Kuyts en Engelanders uit het telefoonboek van Amsterdam en omstreken opgebeld maar er was niemand die ook maar de geringste aanwijzing kon geven.
Na eindeloos speurwerk wist ik wel Ria Kramer te traceren, de laatste vriendin/hospita van Manny. Maar bij haar werd ik blaffend verwelkomd en ook weer blaffend de deur uitgezet. Daar, maar ook in andere gevallen, kwam ik terecht in milieus van weinig empatische mensen, waar niet werd geluisterd maar de boot meteen bot werd afgehouden. Bij de mensen die wel behulpzaam waren, zoals de vriendelijke medewerkers van Iriszorg, ontbraken de dossiers die goud waard zouden zijn geweest.

Ik heb, van medio 2009 tot in 2013, oneindig veel tijd gestoken in het onderzoek naar Manny en het resultaat is mager. Het roept misschien wel meer vragen op dan het antwoorden geeft. Die antwoorden zullen ook nooit meer komen. Desondanks heb ik er met plezier aan gewerkt.

Ik heb Manny een beetje leren kennen. Mijn zoektocht heeft eigenlijk bevestigd wat ik aan het begin van dit verhaal had kunnen weten toen de notaris met de Griekse naam het koffertje openklikte met zijn schamele persoonlijke spulletjes. Wat daaruit tevoorschijn kwam, is in drie trefwoorden samen te vatten: oorlog, ziekte en dochter. De oorlog werd gesymboliseerd door de foto’s van de Jodenvervolging. Uit dit relaas is wel gebleken welke impact die rotoorlog op Manny Klijnkramer moet hebben gehad. Die heeft hem vanaf zijn vroegste jeugd tot een beschadigd mens gemaakt.
De ziekte bleek uit aantekeningen in zijn agenda over hulpmiddelen en adressen en telefoonnummers van zorginstanties. Hij was ziekelijk, als kind al toen hij volgens Anuschka pleuritis en tbc had, en later toen hij Manuela voor het eerst een brief schreef en dacht dat hij dood ging. Tegen het eind van zijn leven had hij een stoma en leed aan een nierziekte en aan diabetes. Hij stierf op zijn zestigste aan een hartinfarct.

Ik denk, ten slotte, dat de dochter die hij niet kende belangrijk voor hem is geweest. Hij heeft herhaalde pogingen gedaan weer met haar in contact te komen. Het enige persoonlijke document dat na zijn dood bij hem gevonden is, is een brief van Manuela uit de jaren tachtig. En de enige foto – los van een pasfoto in zijn zakboek – is een foto van Manuela. Altijd bij zich gehouden, al dolend door zijn gehavende leven. Voor mij zegt dat genoeg.

Woerden, juni 2014

 

(In deze versie van ‘Dolen door een gehavend leven’ zijn een paar namen van nog levende betrokkenen vervangen door gefingeerde namen)